| Home | Teven | Reuen | Nesten | Planning | Nieuws | Links | Hoe het begon | Info | Map | mijn fotoalbum |
Info
Nederlandse Versie F.C.I Standaard Belgische Herdershond
0verbelasting bij pups en Jonge honden
DRUIVEN EN ROZIJNEN: EEN GEVAAR VOOR UW HOND
Uw huisdier tijdens de vakantie
Help, mijn hond valt uit naar andere honden
30 Feiten en fabels over castratie en sterilisatie
Maagslijmvliesontsteking bij hond en kat
NEDERLANDSE VERENIGING VOOR BELGISCHE HERDERSHONDEN
0verbelasting bij pups en Jonge honden
Een pup overschrijdt snel zijn grenzen Wanneer de jonge pup zijn intrede doet
in het nieuwe huisgezin, dan zijn daar meestal veel voorbereidingen aan vooraf
gegaan. Natuurlijk is de nieuwe huisgenoot meerdere malen bezocht bij de fokker.
Maar ook zijn er de nodige inkopen gedaan: een mand, en/of een bench, verschillende
speeltjes, speciaal puppyvoer, kluifjes voor de hond en een nieuwe halsband
met riem. Aan alles is gedacht.
Voorzien van alle raadgevingen van de fokker kom je met de pup thuis. 't Liefst
zou iedereen nu dit wereldwonder willen aanschouwen, maar je hebt te horen gekregen
dat niet goed is voor de pup. Alle bezoekjes worden daarom nog even uitgesteld.
De pup krijgt uitgebreid de kans om zijn nieuwe omgeving te ontdekken en na
enige tijd valt hij uitgeput in slaap.
Meelopen
De hele familie heeft zich al tijden verheugd over de komst van de nieuwe hond
en in het begin word erom gevochten wie de hond mag uitlaten. Dit uitlaten stelt
nog niet veel voor, de pup vind het lopen aan de lijn nog maar eng, hij wil
ook nog niet ver van huis. Gelukkig komt daar snel verandering in, de pup is
in staat om netjes aan het riempje met je mee te lopen. Aardig is dan dat je
in het park allerlei andere hondeneigenaren tegenkomt. Je laat je pup met de
andere volwassen honden spelen, hij moet immers aan alles wennen!
Schouwspel
Spelen met andere honden (vooral ook andere rassen) is prima voor de (sociale)
ontwikkeling van de pup. Het verbeterd de communicatie, de pup leert zijn handelingen
te timen en in inventief probleem oplossend bezig te zijn. Bovendien is het
spel tussen pupjes onderling voor ons mensen een heel aardig schouwspel. Je
kunt er uren naar zitten kijken. En juist op dat punt maken we een fout! Maar
al te vaak word gedacht dat pupjes wel uit zich zelf zullen stoppen met spelen,
als ze moe zijn. Niets is minder waar! Net zoals bij een klein kind, kent een
pup zijn grenzen niet. Hij gaat door met spelen totdat hij er letterlijk bij
neer valt. Als baas dien je je pup in bescherming te nemen en het spel op tijd
te laten stoppen.
Verkeerd
Het beendergestel van een jonge pup bestaat bijna geheel nog uit kraakbeen.
Het meeste kraakbeen gaat tijdens de groei over in been. Dit proces duurt ongeveer
1 a 1.5 jaar. Tijdens deze groei kan er van alles mis gaan, vooral bij de wat
grotere en zwaardere rassen.
De verkeerde belasting of overbelasting kan ervoor zorgen dat het kraakbeen/bot
op een verkeerd manier groeit. Ook is het mogelijk dat er botgroei optreed op
plaatsen waar dat niet normaal en/of gewenst is. De gevolgen kunnen divers zijn,
maar heupdysplasie (HD) is de meest bekende. HD word niet alleen erfelijk bepaald,
de manier waarop de pup opgroeit is ook van grote invloed op het wel of niet
voorkomen van HD. Dit betekend dat je als pupeigenaar aan een aantal regels
dient te houden!
Over de grenzen
Het eerste jaar kan je nog geen lange wandelingen met je hond maken, ook al
heb je het idee dat de hond het wel aankan. Ten eerste laat een pup, net zoals
een kleuter, je niet weten wanneer hij zijn grens bereikt heeft, je ziet pas
aan de hond dat hij moe is, wanneer hij ruim over zijn grens is heengegaan.
Overbelasting heeft dan al plaatsgevonden. Als vuistregel kun je de volgende
berekening aanhouden: de duur van een wandeling is het aantal maanden dat de
hond oud is x 5 minuten. Met een pup van 16 weken (4 maanden) loop je dus maximaal
4 x 5 = 20 minuten per wandeling. Het is beter om vaker een kort stukje te lopen
dan 1x een heel lang stuk.
Aanlijnen
Ten tweede loopt een hond tijdens de wandeling minstens 3x de afstand die je
zelf loopt. Heen en weer, hier eens snuffelen, de bosjes in, hard weer komen
aanrennen, enz. Vooral als je met meerdere honden loopt blijft een pup heen
en weer rennen, hij moet alles in de gaten houden. Aan de ene kant is het goed
dat een pup los met je mee loopt. Hij leert de baas in de gaten te houden en
doet veel ervaringen op m.b.t. alles wat hij op zijn weg tegenkomt. Wanneer
je alleen met pups loopt is loslopen ook prima. Als er meerdere honden met de
wandeling meegaan zul je je pup tegen zichzelf moeten beschermen, aanlijnen
dus!
Je dwingt hem clan bijna alleen maar rechtlijnige bewegingen te maken en het
aantal keren dat hij heen en weer loopt worden ook beperkt. Bij mijn jonge hond
gebruik ik een tuig in plaats van een halsband bij dit soort wandelingen.
Op die manier loop ik niet her risico dat door een plotselinge beweging (b.v.
achter een andere hond aan willen) dat de pup een nekblessure oploopt.
Gelimiteerd
Met meerdere honden in huis is er altijd wel eentje bereid met de pup te spelen.
Spelen op zich is niet verkeerd, maar als baas dien je dit wel aan regels te
onderwerpen. Het aantal malen dat er per dag met elkaar gespeeld wordt, als
ook de duur van het spel wordt gelimiteerd. Twee tot drie keer per dag een paar
minuutjes (echt niet langer!) Spelen is meer dan voldoende. Laat de honden zeker
niet op gladde vloeren spelen. Het risico van uitglijden en onverwachte bewegingen
is daarop en stuk groter. Als roedelleider maak je duidelijk wanneer het spel
is afgelopen. Als je dit niet waar kunt maken is scheiden van de honden de enige
oplossing. Een bench is daarbij een prima hulpmiddel, vergelijk het maar met
een box waar je je baby af en toe inzet. En natuurlijk laat je de pup niet samen
met de volwassen hond in 1 ruimte als je weggaat. Dan heb je zeker geen controle!
Ook de oudere honden ervaren het als zeer rustig wanneer een drukke pup in de
bench opgesloten wordt.
In de remmen
Niet alleen spelen met andere honden is leuk, maar spelen met de baas is dat
ook! Als baas ben je reuze trots als je hond achter een balletje aan rent en
dat clan terug komt brengen. In het begin kun je de bal nog maar een klein stukje
weggooien, maar al snel rent de pup of jonge hond een heel eind achter de bal
aan! Prettige bijkomstigheid is dan je zelf kunt blijven staan en de hond evengoed
zo de nodige lichaamsbeweging krijgt. Toch is dit achter een bal aanrennen niet
alleen maar positief.
Een gegooide bal (of ander speelgoed) stuitert bij het neerkomen op de grond
nog wat na en komt altijd anders neer dan de hond verwacht. Hij rent achter
de bal aan, remt en draait plotseling en maakt daarbij heel plotselinge, funeste
bewegingen. Laat een jonge hond niet eindeloos achter een bal aanrennen, een
paar keer is meer clan genoeg. Om de plotselinge bewegingen van je hond tegen
te gaan kun je terwijl je de bal gooit, je hond even vasthouden tot de bal stil
ligt. De bewegingen van de hond zijn clan niet zo ongecontroleerd meer, bovendien
hoeft hij niet volop in de remmen als hij vlak bij de bal is. Hij kan de afstand
nu veel beter inschatten.
Trappen
De pup mag geen trappen lopen of in of uit de auto springen voordat hij volgroeit
is. Vooral traplopen naar beneden en uit de auto springen is een zware belasting
(geen sleutelbeenderen) voor de pup. Je moet je pup wel leren om de trap op
en af te lopen. Doe dit bij voorkeur niet thuis maar b.v. in een winkelcentrum
waar een trap is
met brede niet te hoge treden. De borst van de pup moet hierbij ondersteund
worden.
Uit ervaring weet ik dat het niet meevalt, zo'n eerste jaar van je hond. Je
wilt al zoveel met `m gaan doen, 't lijkt erop alsof hij - als hij een half
jaar oud is al zoveel kan. Je hond wil 't allemaal zo graag. Toch moet je je
beheersen. Ga op een verstandige, doordachte manier met het bewegen van je pup
en je jonge hond om. De kans op blessures of onherstelbaar letsel wordt daarmee
zoveel mogelijk voorkomen.
Uit de Border Collie
Nederlandse Versie F.C.I Standaard Belgische Herdershond
KONINKLIJKE KYNOLOGISCHE UNIE SINT-HUBERTUS
A. Giraudlaan, 98, 1030 Brussel.
Stichtend lid ‘Fédération Cynologique Internationale’.
F.C.I.-STANDAARD Nr. 15 / 22.06.2001 / Nederlands
BELGISCHE HERDERSHOND
Nederlandse tekst: Dr. R. Pollet
LAND VAN HERKOMST: België.
PUBLICATIEDATUM VAN GELDIGE ORIGINELE STANDAARD: 13.03.2001.
GEBRUIK: Oorspronkelijk een herdershond, nu een gebruiks- (waken, verdedigen, speuren, enz.) en veelzijdige diensthond, evenals een gezinshond.
GROEPSINDELING F.C.I.: Groep 1: Herders- en veedrijvershonden (uitgezonderd Zwitserse Veedrijvershonden) Sectie 1.Herdershonden. Met werkproef.
KORTE GESCHIEDENIS VAN HET RAS: Op het einde van de jaren 1800 waren er in België een groot aantal honden die de kudden dreven. Het type was heterogeen en de vachten uiterst verscheiden. Met het doel wat orde op zaken te stellen vormden enkele gedreven hondenliefhebbers een groep. Ze lieten zich adviseren door Professor A. Reul van de veeartsenijschool te Cureghem, die mag worden beschouwd als de echte pionier en grondlegger van het ras.
Het ras is officieel ontstaan tussen 1891 en 1897. Op 29 september 1891 werd te Brussel de “Club du Chien de Berger Belge” opgericht en op 15 november van hetzelfde jaar organiseerde Prof. A. Reul een bijeenkomst in Cureghem van 117 honden, wat toeliet om het bestand te tellen en de beste exemplaren te selecteren. De daaropvolgende jaren werd begonnen met een echte fokselectie, door toepassen van extreem dichte inteelt op enkele dekreuen.
Op 3 april 1892 werd door de “Club du Chien de Berger Belge” reeds een eerste, erg gedetailleerde rasstandaard opgesteld. Eén enkel ras was toegelaten, met drie haarvariëteiten. Nochtans, zoals men destijds zei, was de Belgische Herder maar een hond van ‘de kleine luiden’, een ras dus dat nog prestige miste. Dit had als gevolg dat slechts in 1901 de eerste Belgische Herders in het stamboek van de Koninklijke Maatschappij Sint-Hubertus (L.O.S.H.) werden ingeschreven.
In de loop van de jaren die volgden namen de bestuurders van de herdershondenliefhebberij vastberaden de taak op zich om eenheid te brengen in het type en om de fouten te verbeteren. Men mag stellen dat reeds rond 1910 het type en het karakter van de Belgisch Herder vastlagen.
In de loop van de geschiedenis van het ras heeft het probleem van de verschillende variëteiten en de toegelaten kleuren aanleiding gegeven tot veel controversen. In tegenstelling hiermede zijn er echter nooit meningsverschillen geweest met betrekking tot de lichaamsbouw van de Belgische Herder, zijn karakter en zijn werkaanleg.
ALGEMEEN VOORKOMEN: de Belgische Herder is een middellijnige hond, met harmonische verhoudingen, die elegantie paart aan kracht. Hij is middelgroot, droog en sterk bespierd, inschrijfbaar in een vierkant, rustiek, gewend aan het openluchtleven en gebouwd om te weerstaan aan de zo frequente weersveranderingen van het Belgische klimaat. Door de harmonie van zijn bouw en zijn fier gedragen hoofd moet de Belgische herder de indruk geven van sierlijke kracht, hetgeen het erfdeel is geworden van de geselecteerde vertegenwoordigers van een werkhondenras. De Belgische Herder zal in stand in zijn natuurlijke houding gekeurd worden, zonder fysiek contact met de voorbrenger.
BELANGRIJKE VERHOUDINGEN: de Belgische herdershond is inschrijfbaar in een vierkant. De borstdiepte komt tot aan de ellebooghoogte. De snuitlengte is gelijk aan of iets meer dan de helft van de hoofdlengte.
GEDRAG / KARAKTER: de Belgische Herder is een waakzame en actieve hond, bruisend van vitaliteit en altijd bereid om tot actie over te gaan. Aan zijn aangeboren geschiktheid als bewaker van de kudden paart hij de kostbare goede eigenschappen van de allerbeste waakhond voor huis en erf. Hij is, zonder de minste aarzeling, de hardnekkige en vurige verdediger van zijn meester. Hij verenigt in zich alle vereiste kwaliteiten om een herders-, waak-, verdedigings- en diensthond te zijn. Zijn levendig en alert temperament en zijn zelfverzekerd karakter, zonder ook maar enige vrees of agressiviteit, moeten blijken uit de houding van zijn lichaam en de fiere en opmerkzame uitdrukking van zijn fonkelende ogen. Tijdens het keuren zal men rekening houden met een ‘rustig’ en ‘onverschrokken’ karakter.
HOOFD: hoog gedragen, lang zonder overdrijving, rechtlijnig, goed gebeiteld en droog. De schedel en de snuit zijn ongeveer even lang, met ten hoogste een klein verschil ten voordele van de snuitlengte, wat het geheel de indruk geeft van een volmaakte afwerking.
SCHEDELGEDEELTE: middelmatig breed, in verhouding tot de lengte van het hoofd, het voorhoofd eerder afgeplat dan rond, de voorhoofdsgroef weinig afgetekend; van opzij gezien evenwijdig aan de denkbeeldige lijn die de neusrug verlengt; achterhoofdskam weinig ontwikkeld; wenkbrauw- en jukbeenbogen niet uitstekend.
Stop: matig.
SNUITGEDEELTE:
Neus: zwart.
Snuit: middelmatig lang en goed gebeiteld onder de ogen; geleidelijk naar de neus toe versmallend, in de vorm van een langwerpige wig; neusrug recht en evenwijdig aan de verlengde bovenlijn van het voorhoofd; goed gespleten bek, wat betekent dat bij geopende bek, met de kaken wijd uit elkaar, de mondhoeken sterk naar achteren zijn getrokken.
Lippen: dun, goed aangesloten en sterk gepigmenteerd.
Kaken/gebit: sterke en witte tanden, regelmatig en stevig ingeplant in goed ontwikkelde kaakbeenderen. ‘Schaargebit’; het ‘tanggebit’, waaraan de voorkeur wordt gegeven door schaapherders en veedrijvers, wordt getolereerd. Volledig gebit, beantwoordend aan de tandformule; het ontbreken van twee premolaren (2 P1) wordt geduld en de molaren 3 (M3) worden niet in aanmerking genomen.
Wangen: droog en goed vlak, maar wel gespierd.
Ogen: middelmatig groot, noch uitpuilend, noch diepliggend, licht amandelvormig, schuin, bruinachtig, liefst donker; oogranden zwart; de blik is direct, levendig, intelligent en vragend.
Oren: eerder klein, hoog aangezet, duidelijk driehoekig uitziend, oorschelpen goed afgerond, de uiteinden puntig, strak, rechtopstaand en verticaal gedragen wanneer de hond aandachtig is.
HALS: goed uitkomend, iets lang, tamelijk opgericht, goed gespierd, naar de schouders toe geleidelijk breder wordend en zonder keelwammen; de nek licht gewelfd.
ROMP: krachtig zonder plompheid; de lengte, vanaf het boegpunt tot aan het zitbeenpunt, is ongeveer gelijk aan de schofthoogte.
Bovenbelijning: de belijning van de rug en de lendenen verloopt recht.
Schoft: afgetekend.
Rug: vast, kort en goed gespierd.
Lenden: stevig, kort, voldoende breed, goed gespierd.
Kruis: goed gespierd; slechts zeer licht hellend; voldoende breed, maar zonder overdrijving.
Borst: weinig breed, maar goed diep; bovenzijde van ribben gewelfd; voorborst van voren gezien weinig breed, maar ook niet smal.
Onderbelijning: begint onderaan de borst en stijgt licht in een harmonische curve naar de buik toe, die noch afhangend, noch windhondachtig mag zijn, maar licht opgetrokken en matig ontwikkeld.
STAART: goed ingeplant, met krachtige aanzet, middellang, minstens tot aan de sprong doch bij voorkeur verder reikend; in rust hangend gedragen, het uiteinde ter hoogte van de sprongen licht naar achteren gebogen; in actie meer opgeheven, doch niet hoger dan horizontaal gedragen, met de buiging naar de staartpunt toe meer uitgesproken, doch zonder ooit een haak of een afbuiging te vormen.
LEDEMATEN
VOORSTE LEDEMATEN:
Totaalbeeld: beendergestel stevig, maar niet zwaar; spierstelsel droog en sterk;
de voorbenen zijn van alle zijden gezien loodrecht en van voren gezien volkomen
parallel.
Schouders: het schouderblad is lang en schuin, goed aanliggend, met het opperarmbeen
een voldoende hoek vormend, die in het ideale geval 110-115° bedraagt.
Opperarm: lang en voldoende schuin.
Elleboog: vast, noch afstaand, noch aangedrukt.
Onderarm: lang en recht.
Pols: zeer stevig en effen.
Voormiddenvoeten: sterk en kort, zoveel mogelijk loodrecht op de grond of slechts zeer weinig naar voren hellend.
Voorvoeten: rond, kattenvoeten; tenen gebogen en goed gesloten; voetzolen dik en elastisch; nagels donker en dik.
ACHTERSTE LEDEMATEN:
Totaalbeeld: krachtig, maar niet zwaar; van opzij is de stand van de achterste ledematen loodrecht en gezien van achteren volkomen parallel.
Dij: gemiddeld lang, breed en sterk gespierd.
Knie: bevindt zich ongeveer loodrecht onder de heup; kniehoeking normaal.
Onderschenkel: gemiddeld lang, breed en gespierd.
Sprong: laag bij de grond, breed en gespierd; matig gehoekt.
Achtermiddenvoeten: stevig en kort; wolfsklauwen niet gewenst.
Achtervoeten: mogen licht ovaal zijn; tenen gebogen en goed gesloten; voetzolen dik en elastisch; nagels donker en dik.
GANGWERK: de beweging is bij alle gangvormen levendig en vrij; de Belgische Herder is een goede galopeur, maar de gewone gangen zijn de stap en vooral de draf; de ledematen bewegen evenwijdig aan het mediaanvlak van het lichaam (recht gaand). Bij hoge snelheid komen de voeten dichter bij het mediaanvlak; bij het draven is de tredwijdte gemiddeld, de beweging regelmatig en vlot, met een goede stuwing van de achterste ledematen, waarbij de bovenbelijning goed strak blijft en zonder dat de voorbenen te hoog worden opgeheven. De Belgische Herder is voortdurend in beweging en lijkt onvermoeibaar; zijn gang is snel, elastisch en levendig. Hij is in staat om in volle snelheid plots van richting te veranderen (is ‘wendbaar’); door zijn uitbundig temperament en zijn drang om te waken en te beschermen, heeft hij een uitgesproken neiging om in cirkels te bewegen.
HUID: elastisch, maar over het hele lichaam goed strak; randen van lippen en oogleden sterk gepigmenteerd.
VACHT EN VARIETEITEN:
Daar de beharing bij de Belgische herdershonden verschilt in lengte, richting, aanblik en kleur, werd dit als criterium gekozen om een onderscheid te maken tussen de vier rasvariëteiten: de Groenendaeler, de Tervuerense herder, de Mechelaar of Mechelse herder en de Laekense herder.
Deze vier variëteiten worden afzonderlijk gekeurd en iedere variëteit afzonderlijk kan een voorstel krijgen voor een C.A.C, een C.A.C.I.B. of reserves.
VACHTSOORTEN: bij alle variëteiten moet de beharing altijd dicht zijn, goed aanliggend, van een goede textuur en samen met de wollige ondervacht een uitstekende beschutting vormen.
A – LANGHAAR: het haar kort op het hoofd, aan de buitenkant van de oren en het onderste van de ledematen, behalve aan de achterzijde van de onderarm, die van aan de elleboog tot aan de pols bedekt is met lange haren, die ‘franjes’ worden genoemd. Het haar is lang en vlak aanliggend over de rest van het lichaam en langer en overvloedig rond de hals en op de voorborst, waar het een ‘halskraag’ en een ‘borstveer’ of ‘bef’ vormt. De opening van de gehoorgang is beschermd door dichte haren. Vanaf de ooraanzet zijn de haren opstaand en vormen een omlijsting van het hoofd. De achterzijde van de dijen is bekleed met zeer lang en overvloedig haar, dat de ‘broek’ vormt. De staart is bedekt met lang en overvloedig haar dat een ‘veer’ of ‘pluim’ vormt.
De Groenendaeler en de Tervuerense zijn de langharigen.
B – KORTHAAR: het haar zeer kort op het hoofd, aan de buitenkant van de oren en het onderste van de ledematen. Het is kort op de rest van het lichaam en voller aan de staart en rond de hals, waar het een halskraag vormt, die begint aan de ooraanzet en doorloopt tot de keel. Bovendien is de achterzijde van de dijen met langere haren bevederd. De staart lijkt op een korenaar maar vormt geen staartveer.
De Mechelaar is de kortharige.
C – RUWHAAR: hetgeen de ruwharige vooral kenmerkt is de ruwheid en de droogheid van het haar, dat bovendien krassend is en warrelig. De haarlengte is ongeveer 6 cm en over het hele lichaam gelijk, maar wel korter op de neusrug, het voorhoofd en de ledematen. Noch de haren rond de ogen, noch de haren die de voorsnuit bedekken mogen zo uitgegroeid zijn dat ze de vorm van het hoofd verbergen. De snuitgarnituur nochtans is verplicht. De staart mag geen veer vormen.
De Laekense herder is de ruwharige.
VACHTKLEUREN:
Masker: bij de Tervuerense en de Mechelse herders moet het masker zeer goed geprononceerd zijn en de neiging hebben de boven- en de onderlippen, de mondhoeken en de oogleden te omvatten in één enkele zwarte zone. Voor het masker wordt een strikt minimum van acht zichtbare pigmentatiepunten bepaald: de beide oren, de beide bovenste oogleden en de beide boven- en onderlippen, die zwart moeten zijn.
Zwart-gevlamd (charbonné): bij de Tervurense en de Mechelse herders betekent zwart-gevlamd dat er haren zijn met zwarte uiteinden, waardoor de grondkleur wordt beschaduwd. Dit zwart is in ieder geval ‘gevlamd’ en mag zich noch als grote platen, noch als echte strepen (stroming) vertonen. Bij de Laekense herder komt het zwart-gevlamd onopvallender tot uiting.
Groenendaeler: uitsluitend eenkleurig zwart.
Tervuerense herder: uitsluitend zwart-gevlamd vaalros (fauve-charbonné) en zwart-gevlamd grijs (gris-charbonné), met zwart masker; de zwart-gevlamde vaalrosse kleur blijft nochtans de voorkeur hebben. Het vaalros (fauve) moet warm zijn, noch licht, noch uitgewassen. Een hond wiens vachtkleur anders is dan zwart-gevlamd vaalros of niet de gewenste intensiteit vertoont, kan niet beschouwd worden als een elitehond.
Mechelaar: uitsluitend zwart-gevlamd vaalros (fauve-charbonné), met zwart masker.
Laekense herder: uitsluitend vaalros (fauve), met sporen van zwart-gevlamd (charbonné), voornamelijk op de voorsnuit en de staart.Alle variëteiten: een weinig wit op de voorborst en de tenen wordt geduld.
GROOTTE, GEWICHT EN MATEN:
Schofthoogte: de gewenste hoogte is gemiddeld - 62 cm voor de reuen, - 58 cm voor de teven.
Grenzen: naar beneden 2 cm, naar boven 4 cm.
Gewicht: - reuen ongeveer 25-30 kg,
- teven ongeveer 20-25 kg.
Lichaamsmaten: normale gemiddelde maten bij een Belgische Herder reu die een schofthoogte heeft van 62 cm:
- Lichaamslengte (vanaf het boegpunt tot aan het zitbeenpunt): 62 cm.
- Hoofdlengte: 25 cm.
- Snuitlengte: 12,5 à 13 cm.
FOUTEN: Elke afwijking van het bovengenoemde moet als een fout beschouwd worden, die bestraft wordt naargelang de ernst ervan.
- Algemeen voorkomen: plomp, zonder elegantie; te licht of te tenger; langer dan hoog, inschrijfbaar in een rechthoek.
- Hoofd: zwaar, te krachtig, zonder parallellisme, onvoldoende gebeiteld of droog; voorhoofd te rond; stop te uitgesproken of te vlak; snuit te kort of geknepen; ramsneus; wenkbrauw- of jukbeenbogen te uitstekend.
- Neusspiegel, lippen, oogleden: sporen van pigmentverlies.
- Gebit: onregelmatige inplanting van snijtanden. Zware fout: het ontbreken van één snijtand (1 I), één premolaar 2 (1 P2), één premolaar 3 (1 P3), of van drie premolaren 1 (3 P1).
- Ogen: licht, rond.
- Oren: groot, lang, te brede aanzet, laag ingeplant, divergent of convergent.
- Hals: tenger; kort of diepliggend.
- Romp: te gestrekt; borstkas te breed (cilindrisch).
- Schoft: vlak, laag.
- Bovenbelijning: rug en/of lendenen lang, zwak, doorgezakt of gewelfd.
- Kruis: te hellend, overbouwd.
- Onderbelijning: te diep of te ondiep; te veel buik.
- Staart: te lage aanzet; te hoog gedragen, een haak vormend, afbuigend.
- Ledematen: te licht of te zwaar van bot; slechte standen gezien van opzij (bv. te schuine voormiddenvoeten of zwakke polsen), van voren (bv. naar binnen of naar buiten gekeerde voetenstand, uitgedraaide ellebogen, enz.) of van achteren (bv. achterbenen nauw, wijd of tonvormig, hakkeneng of hakkenwijd, enz.); te weinig of overdreven gehoekt.
- Voeten: spreidtenen.
- Gangwerk: nauwe beweging, te korte paslengte, te weinig stuwing, slechte rugoverbrenging, steppende gang (hoogdraven).
- Vacht: de vier variëteiten: onvoldoende ondervacht.
Groenendaeler en Tervuerense: haar wollig, gegolfd of gekruld; haar onvoldoende
lang.
Mechelaar: halflang haar waar het kort zou moeten zijn; gladhaar; ruwe haren tussen het korte haar verspreid; gegolfd haar.
Laekense: haar te lang, zijdeachtig, gegolfd, gekroesd of kort; vol met fijn haar, in plukken verspreid tussen het ruwe haar; te lang haar rond de ogen of aan de onderbek; dichtbehaarde staart.
- Kleur: de vier variëteiten: brede, diepe, witte borstvlek (‘plastron’); wit op de voeten,
dat hoger reikt dan de tenen.
Groenendaeler: rosse schijn in de vacht; grijze broek.
Tervuerense: grijze kleur.
Tervuerense en Mechelaar: stroming; onvoldoende warme tinten; het zwart-gevlam onvoldoende of overmatig aanwezig of in platen over het lichaam verdeeld; onvoldoende masker.
Tervuerense, Mechelaar en Laekense: het vaalros te licht; een zeer verdunde grondkleur, ‘uitgewassen’ genoemd, wordt beschouwd als een zware fout.
- Karakter: honden met te weinig zelfvertrouwen of die hypernerveus zijn.
DISKWALIFICERENDE FOUTEN:
- Karakter: agressieve of angstige honden.
- Algemeen voorkomen: afwezigheid van rastype.
- Gebit: bovenvoorbeet; ondervoorbeet, zelfs zonder verlies van contact (omgekeerd schaargebit); kruisgebit; ontbreken van een hoektand (1 C), een scheurkies boven (1 P4) of onder (1 M1), een molaar (1 M1 of 1 M2, uitgenomen M3), een premolaar 3 (1 P3) plus een andere tand, of in totaal drie tanden (uitgenomen de premolaren 1) of meer.
- Neusspiegel, lippen, oogleden: sterk gedepigmenteerd.
- Oren: hangend of kunstmatig rechtop gehouden.
- Staart: afwezig of gekort, vanaf de geboorte of door couperen; te hoog en ringvormig gedragen of opgerold.
- Vacht: afwezigheid van onderwol.
- Kleur: alle kleuren die niet overeenstemmen met de beschrijvingen van de variëteiten; te uitgebreide witte aftekeningen op de voorborst, zeker wanneer deze doorlopen tot aan de hals; wit op de voeten, dat hoger reikt dan halfweg de voor- of de achtermiddenvoeten en dat sokken vormt; witte vlekken elders dan op de voorborst en op de tenen; afwezigheid van masker, evenals een snuit die lichter gekleurd is dan het geheel van de vacht bij de Tervuerense herder of de Mechelaar (omgekeerd masker).
- Schofthoogte: buiten de opgelegde grenzen.
N.B.: De reuen moeten twee normale testikels hebben, die volledig in het scrotum zijn ingedaald.
KRUISINGEN – INTERVARIETEITEN PARINGEN: paringen tussen verschillende variëteiten zijn verboden, behalve in zeer bijzondere gevallen, wanneer toestemming wordt verleend door de bevoegde nationale fokcommissies (tekst 1974, opgesteld te Parijs).
Inleiding
Epilepsie of vallende ziekte is een aandoening van de hersenen die er toe leidt
dat de patiënt tijdelijk de controle over een deel van zijn lichaamsfunkties
verliest. Bekend zijn de toevallen waarbij de hond omvalt, hevige spierkrampen
krijgt, schuimbekt en urine of ontlasting laat lopen. Er zijn echter ook mildere
vormen van epilepsie.
Oorzaken
Zoals gezegd wordt epilepsie veroorzaakt door een storing in de functie van
de hersencellen. De oorzaak van deze storing kan gelegen zijn in de hersencellen
zelf, maar ook allerlei ziekten elders in het lichaam kunnen de epilepsie veroorzaken.
In enkele gevallen kunnen de problemen zelfs ontstaan door een gedragsafwijking,
bijvoorbeeld een hond die heel erg bang is. In veruit de meeste gevallen is
er echter geen duidelijke andere afwijking te vinden en is er spraken van een
kortdurende, tijdelijke ontregeling van de hersenfunctie. We spreken dan van
primaire epilepsie.
Voorkomen
Epilepsie komt regelmatig voor bij honden. Sommige rassen zijn duidelijk gevoeliger
dan andere (voorbeelden zij Poedels, Welsh Springer Spaniels en Duitse Staanders),
maar het kan bij ieder ras voorkomen. Echte (primaire) epilepsie komt zelden
voor bij honden jonger dan acht maanden. Meestal openbaart de ziekte zich tussen
het eerste en derde levensjaar. Bij oude dieren is er vaak een andere oorzaak.
Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld hersenbloedingen of gezwellen.
Diagnose
Het is voor ons dierenartsen niet eenvoudig om vast te stellen of een dier
epilepsie heeft. De toevallen duren zo kort dat de patiënt bijna altijd
al weer uit de aanval is bijgekomen bij binnenkomst in de kliniek. Het verhaal
van de eigenaar is daarom van groot belang. We willen graag weten hoe oud het
dier is, hoe vaak de aanvallen optreden, hoelang ze duren, of er ook andere
klachten zijn enzovoorts. Een probleem hierbij is dat de aanvallen meestal komen
als het dier in rust is, dus vaak 's nachts. Het is daarom goed mogelijk dat
een dier al meerdere aanvallen gehad heeft voordat het de baas opvalt. Uw huisdier
wordt altijd uitgebreid onderzocht. Eventueel kan beslist worden tot aanvullend
onderzoek. Dit kan bestaan uit bloedonderzoek, röntgenfoto’s, een
hartfilmpje en gedragsonderzoek.
Behandeling
Aangezien de aanvallen maar kort duren en vanzelf verdwijnen is het niet altijd
nodig om een epilepsie patiënt te behandelen. Een vuistregel is: als het
dier niet vaker dan eens per zes weken een toeval heeft en deze toevallen mild
van aard zijn dan is behandeling niet noodzakelijk. Komen de toevallen vaker
of kort achter elkaar of heeft de patiënt zware toevallen, die langer dan
10 minuten duren, dan is het raadzaam contact op te nemen met de dierenarts.
De volgende punten zijn handig om te weten
Als uw hond een toeval heeft raak dan niet in paniek. Rust is ook voor de hond
het allerbeste dus geen fel licht of harde geluiden. We weten dat mensen niets
weten van de epilepsie aanval die ze doormaken. We kunnen er dus van uit gaan
dat uw hond er niets van merkt. Wel valt het sommige mensen op dat de hond zich
voor een aanval anders gedraagt. Probeer nooit de tong uit de mond te trekken
en voorkom dat uw hond zich kan verwonden aan meubilair of doordat hij of zij
ergens af valt.
Er zijn een aantal soorten medicijnen die gebruikt worden bij epilepsie, waarvan
fenobarbital de belangrijkste is. Bijwerkingen zijn slaperigheid, veel drinken
en plassen en in uitzonderlijke gevallen kan soms leverbeschadiging optreden.
Bij honden die niet reageren op de fenobarbital kunnen er sinds kort andere
medicijnen worden gebruikt. Voor elke behandeling geldt dat veranderingen in
dosering en medicijn het best onder directe begeleiding van een dierenarts kan
plaatsvinden. Bij twijfel over de juiste dosering kan deze door middel van een
bloedonderzoek worden vastgesteld.
Erfelijkheid
Primaire epilepsie is een aangeboren en waarschijnlijk erfelijk gebrek. Het
is dus verstandig om niet te fokken met dieren die er aan lijden.
Samenvatting
Heeft uw huisdier toevallen dan kan dit epilepsie zijn, maar dit hoeft niet.
Raak niet in paniek en neem contact op met uw dierenarts. Overleg met hem (of
haar) of het nodig is nader onderzoek te doen en een behandeling in te stellen.
Dieren met epilepsie kunnen hier heel oud mee worden. Epilepsie veroorzaakt
maar uiterst zelden gedragsafwijkingen bij uw dier. Het is een aandoening waar
zowel hond als baas mee kunnen leren leven.
www.dedierenarts.nl
Vlooien zijn lastige parasieten voor dier en mens. Ze veroorzaken jeuk en kunnen
lintwormen en andere ziekten op uw dier overbrengen. Sommige dieren kunnen zelfs
overgevoelig of allergisch voor de beten van de vlo zijn. Daarnaast is het gewoon
een vies idee dat er beestjes op uw dier rondlopen.
Vroeger was het vlooienprobleem alleen in de zomer aanwezig. Tegenwoordig echter
is het ook in het koudere jaargetijde (vooral voor de gevoelige dieren) een
probleem. Dit wordt veroorzaakt doordat de vlooien in onze verwarmde huizen
deze periode kunnen overleven.
Reden genoeg dus om voor een verantwoorde vlooienbestrijding te kiezen die uw
dier het héle jaar door vrij van deze lastige parasieten houdt.
Vlooien en hun voortplanting
In het algemeen zal op uw dier de besmetting beginnen doordat er, ondanks een
goede verzorging, een volwassen vlo op terecht komt. Deze vlo zal het dier bijten
om bloed te zuigen, en blijft dit doen gedurende de levensduur van wel 100 dagen.
Na de bloedmaaltijd gaat ze eitjes leggen. Dit kan oplopen tot 50 eitjes per
dag (gem. 27/d). Deze eitjes vallen van de hond en komen zo in de omgeving terecht
(mand, tapijt, auto enz.). Hier komen na 1-10 dagen de larven uit de eitjes.
Deze bewegen zich naar donkere plekjes (kieren en naden, onder de plint, onder
meubels). Larven vervellen gedurende hun levensduur (5-10 dagen) twee maal.
Ze leven van huidschilfers en van de uitwerpselen van volwassen vlooien. Na
de vervellingen verpoppen de larven. In het popstadium kunnen ze tot ruim 140
dagen overleven. Meestal komen de volwassen vlooien echter al na 4 dagen uit
de pop. Het uitkomen wordt beïnvloed door veranderingen van de lichtintensiteit
(infrarood) en trillingen. Na het uitkomen bespringt de volwassen vlo uw dier
(of uzelf) en is de cyclus rond.
Zoals u begrijpt is het bovenstaande een explosief verlopend geheel, één
vlo kan zo voor honderden nakomelingen zorgen!
De bestrijding, of beter: preventie, van de vlooienbesmetting
Voor de preventie of bestrijding van het vlooienprobleem kunt u voor een aantal manieren van aanpak kiezen. Welke methode u kiest hangt af van de situatie. Hierbij moet u het volgende overwegen:
* De gevoeligheid van uw dier voor vlooien(beten)
* Het aantal en soort aanwezige huisdieren
* Uw eigen voorkeur.
De meest moderne vlooienbestrijdingsmiddelen kunt u het best bij de dierenarts
halen, dit komt door een wettelijke regel die stelt dat deze nieuw ontdekte
moleculen de eerste 5 jaren dat ze op de markt zijn alleen via dierenartsen
verkocht mogen worden. Dit ivm registratie van eventuele bijwerkingen.
Middelen voor de omgeving
Als er al een groot vlooienprobleem aanwezig is doet u er verstandig aan niet alleen het dier maar ook de omgeving te behandelen. Hiervoor kunt u een spray gebruiken. Let op dat het middel dat u aanschaft aan de volgende eisen voldoet:
* Langdurige werking (minimaal 6 maanden na correct aanbrengen)
* Doodt niet alleen volwassen vlooien gedurende enkele weken, maar remt ook
de ontwikkeling van larven
Door de behandeling van de omgeving zorgt u ervoor dat u, in combinatie met
een goede behandeling van het dier, snel van het probleem afkomt.
(Een goede spray bevat naast de bestrijdingsmiddelen voor de vlo en larve ook
een groeiremmer waardoor de larven niet meer kunnen vervellen).
De diverse middelen
Er zijn diverse middelen op de markt die u op het dier aanbrengt of het dier
via de mond ingeeft. We zullen ons hier beperken tot drie recent op de markt
verschenen middelen. Deze middelen zijn zeer efficiënt doordat bij een
juiste toepassing er geen resistente vlooienstammen voor zijn ontstaan.
1. Stronghold
Eén enkele behandeling met Stronghold en uw pup is vrij van de volgende parasieten:
* Volwassen vlooien
* Vlooien eieren
* Schurfmijt
* Spoelwormen
* Hartworm
Stronghold is uniek, omdat het de eerste spot-on (op de huid) toediening is
waarmee u uw pup behandelt tegen een groot aantal uitwendige en inwendige parasieten.
Dat is wat het zo revolutionair maakt. Vroeger waren er meerdere behandelingen
nodig die moeilijk te onthouden waren en onpraktisch in het gebruik met als
resultaat: stress voor u en uw pup. Stronghold is de meest brede behandeling
in één tegen parasieten die ooit voor pups beschikbaar was.
Werking Stronghold
Vanaf het moment dat u de vloeistof op de huid tussen de schouderbladen van
uw hond aanbrengt, wordt ze via de huid in de bloedstroom opgenomen. Op die
manier wordt ze verspreid door het lichaam en via de talgklieren over de huid.
Daardoor werkt Stronghold zowel tegen uitwendige als inwendige parasieten. Deze
behandeling hoeft u maar eens per maand te herhalen.
2. Frontline
Vlooien worden snel en doeltreffend gedood door contact met Fipronil, de werkzame
stof in Frontline. Vlooien hoeven de hond dus niet te bijten om te worden bestreden.
Frontline dood de vlooien binnen 24 uur, meestal voordat ze eitjes kunnen leggen.
Daardoor wordt de levenscyclus van de vlo doorbroken in het belangrijkste stadium.
Teken worden gedoodt binnen 48 uur na de aanhechting, waardoor de kans op overdracht
wordt verminderd. Door zijn grote veiligheid kan Frontline ook gebruikt worden
bij pups. Nadat het opgebrachte produkt is opgedroogd, kunnen de dieren weer
volop geaaid en geknuffeld worden.
3. Program
Program bevat Lufenuron, een groeiremmend middel. Dit houdt in dat het middel
niet de volwassen vlooien doodt! Het zorgt ervoor dat de eitjes niet uitkomen
en dat de larven (die het lufenuron via de ontlasting van de volwassen vlooien
binnenkrijgen) niet kunnen vervellen of verpoppen. Het stopt dus de cyclus waardoor
er geen nieuwe vlooien ontwikkelen. Vandaar ook dat het "de pil voor de
vlo" genoemd wordt. Het is een middel dat het dier een maal per maand met
het eten inneemt.
Program is goed te gebruiken in de volgende gevallen
* Preventief om een vlooienbesmetting te voorkomen (u kunt wel eens een vlo
zien, maar dit zal niet uitgroeien tot een probleem).
* Ondersteunend bij andere middelen tot een vlooienprobleem is opgelost waarna
het als enig middel de preventie overneemt.
LET OP: Program is pas effectief als alle katten en honden in uw huishouden
het middel krijgen toegediend.
Program is niet als enig middel bruikbaar bij gevoelige of allergische honden,
de vlo moet namelijk bijten voordat het middel wordt opgenomen. De beet is de
oorzaak van de jeuk!
In het dier
Al het vorig seizoen heeft Program zijn effectiviteit bewezen. Het is een middel dat het dier een maal per maand met het eten inneemt.
Voor vragen kunt u altijd bij uw dierenarts terecht. Regelmatig worden er bijscholingen gevolgd om U optimaal van de meest recente informatie te voorzien!
www.dedierenarts.nl
Teken
Een teek is een klein bloedzuigend insect. Vaak zitten ze in het kreupelhout
of de bosjes. Als uw hond daar doorheen loopt, laat de teek zich op de hond
vallen. Vandaar dat de meeste teken op de kop en hals zitten. Ze beginnen heel
klein, maar zuigen zich in enkele dagen vol met bloed en vallen dan af weer
op de grond. Ze maken een vervelling door en zijn dan weer klaar voor een nieuw
bloedmaal.
Hij is vervelend omdat hij de ziekte van Lyme en Babesiose kan veroorzaken.
Hij doet dat door speeksel in zijn slachtoffer te spuwen. Zo eens in de zoveel
tijd zit er een teek op Uw hond of kat. Die moet U dan voorzichtig proberen
te verwijderen. De teek verdoven met alcohol of zo werkt averechts, omdat dan
de teek juist zijn speeksel laat lopen. Niet doen dus! Het beste is om een tekentang
te gebruiken, verkrijgbaar bij dierenwinkel, dierenarts en apotheek (voor mensen
geldt nl. precies hetzelfde als voor dieren). Zet de tekentang op de teek en
draai rustig naar links of naar rechts totdat de teek loslaat. Dus niet rukken,
want dan breekt de kop eraf en blijft in uw hond vastzitten. Dit zou een lelijke
infectie kunnen veroorzaken. Om te voorkomen dat uw hond een tek oploopt (ze
zitten voornamelijk in de bosjes waar uw hond door heen banjert), kunt u het
beste een tekenband gebruiken of de hond insprayen met Frontline.

Nagels knippen.
Het knippen van de nagels bij een hond vereist enige handigheid.
Voor dit doel zijn verschillende uitstekende nageltangen te koop in dierenspeciaalzaken. Men kan zelf knippen of het knippen van de nagels aan de dierenarts of trimmer overlaten.
Het is heel gemakkelijk om de nagels van een pup te knippen, voor al als de nagels ongekleurd zijn. Dan is het rode leven goed te zien en kan ervoor worden gezorgd dat alleen het uiterste puntje van de nagel wordt verwijderd. Knippen in het leven veroorzaakt naast een flinke bloeding ook veel pijn, omdat zich daar zenuwen bevinden. Veel honden vinden het knippen van hun nagels een onaangenaam gebeuren, vooral als het al eens mis is gegaan. Het is daarom erg belangrijk om de pup al heel jong aan het knippen van de nagels te wennen, zodat hij het in de toekomst gewoon zal toestaan. Het afvijlen met een stevige vijl is ook mogelijk. Voor de nagels van grote rassen kan een ijzervijl worden gebruikt.
De voeten moeten natuurlijk ook in een uitstekende conditie verkeren en daarom regelmatig worden gecontroleerd op ongerechtigheden. De dikke, verende teenkussens spelen een belangrijke rol bij het lopen. In die kussens mogen geen sneetjes, kloven of andere verwondingen zitten die een optimaal gangwerk zouden hinderen.
Er moet dus voor worden gezorgd dat ze soepel en gaaf blijven. kleine sneetjes en kloofjes kunnen thuis worden ontsmet met Sterilon of Betadine en vervolgens worden ingesmeerd met wat calendula zalf of vaseline. Grotere verwondingen moeten uiteraard door de dierenarts worden behandeld. Zeker in de winter is het oppassen geblazen.
Het haar dat tussen de tenen van een langharige hond groeit, houdt stof en gruis vast. Zorg dat zich hier geen klitten vormen, die doen pijn en zullen het lopen bemoeilijken. Het is dus zaak regelmatig na te gaan of zich ergens tussen de tenen opgehoopt vuil zit. Dit moet onmiddellijk worden verwijderd, door het met haar en al weg te knippen. Het haar tussen de tenen moet met een speciale schaar met stompe punterden ingekort. Niet helemaal kaal zetten, want dan ontstaat er teveel wrijving.
Veel honden vinden het wegknippen van de haren tussen de tenen even vervelend als het knippen van de nagels. Het is dan ook belangrijk dat een puppy al op jonge leeftijd vertrouwd wordt gemaakt met voetverzorging. Zet de pup elke dag even op tafel en doe net alsof de nagels worden geknipt.
Daarbij moet wel het nageltangetje worden gehanteerd, want de hond moet ook daar aan wennen, of er nu niets of een klein puntje van de nagels wordt afgeknipt.
Tijdens deze ‘behandeling’ moet de hond vriendelijk worden toegesproken, zodat hij rustig blijft. Als hij weer op de grond staat, volgt een beloning in de vorm van een hondenkoekje.
HD=Heupdysplasie
(met dank aan Dierenkliniek 'de Beemd' in Oosterhout)
Heupdysplasie is een afwijking aan de heupgewrichten. Het is wat we noemen een
multifactoriële ziekte: er zijn vele oorzaken. Alle oorzaken van HD zijn
nog niet bekend.
Oorzaken:
*
Erfelijkheid is de meest belangrijke factor. HD is echter niet 100% erfelijk.
Tot nu toe is er geen gen (of genen) geïdentificeerd welke verantwoordelijk
is voor HD.
*
Overvoeding kan ook een oorzaak zijn. Puppies die te dik zijn tijdens de groei
hebben een verhoogde kans om later HD-klachten te ontwikkelen.
*
Vooral grote hondenrassen hebben vaak last van HD. Dit gaat echter niet altijd
op. Rassen zoals de Barzoi en de Siberische Husky hebben zelden last van HD.
Terwijl bij de Engelse Cocker Spaniel of de Maine Coone (kattenras) weer wel
HD voorkomt.
*
Rassen die weinig lichaamsvet hebben, zoals b.v. de Ierse Wolfshond, hebben
weinig last van HD. Rassen die veel lichaamsvet hebben, b.v. de Sint Bernard
hebben erg veel last van HD. Het percentage lichaamsvet wordt met name erfelijk
bepaald.
* Te weinig beweging is slecht maar ook verkeerde beweging is slecht zoals veel
trappen lopen.
* Als de spierontwikkeling onvoldoende is krijgen de heupen het zwaarder te
verduren wat de kans op HD vergroot.
* Puppies die te snel groeien (vaak door te veel voer of door de hele dag eten
ter beschikking stellen) hebben verhoogde kans op HD.
* Slechte voeding, teveel aan mineralen (o.a. calcium en fosfor), te energierijk
voer of teveel eiwitten is slecht voor de botontwikkeling en daarmee ook voor
de heupen.
Bij (beginnende) HD bestaat er teveel speling tussen de kop en de kom. Dit
kan voor de volgende problemen zorgen:
- instabiliteit en subluxatie van de heup: de kop ligt gedeeltelijk uit de kom
- misvorming van de heupkop: in plaats van een ronde kop is de kop vlak geworden
- misvorming van de heupkom: de heupkom wordt ondiep
- botwoekeringen rond de kop en de kom
Door de misvorming kan het heupgewricht niet normaal bewegen en is de beweging
beperkt. Hierdoor kunnen de volgende klachten ontstaan: moeilijk opstaan, stram
lopen, geen lange afstanden meer kunnen lopen, door de achterpoten zakken, kreupel
lopen met één of beide achterpoten, stijve heupgewrichten: de
achterpoten zijn niet ver naar achter te strekken.
Deze klachten kunnen licht of zeer ernstig zijn.
HD - betekent HD vrij
HD Tc betekent overgangsvorm ( nog vrij goede heupen)
HD +/- betekent licht positief (zou eigenlijk niet gefokt mee mogen worden)
HD + betekent HD positief, de zwaarste vorm van HD
Om te zorgen dat uw pup zo min mogelijk last krijgt van HD moet u tijdens de
groei op de volgende punten letten:
- goede voeding geven: niet te energierijk en niet te eiwitrijk
- geen extra voedingsstoffen bijgeven, teveel mineralen is erg slecht voor de
botten
- niet teveel voeding: uw pup mag absoluut niet dik worden
- heupen niet te zwaar belasten
- niet: trap laten lopen, lange afstanden lopen, laten springen, teveel met
bal spelen
- Wel: laten zwemmen, vaak korte afstanden lopen, aan de lijn uitlaten.
- Als de pup thuis is bewegingsvrijheid beperken
ED= Elleboog Dysplasie
ED is een vervorming van het ellebooggewricht. Het is een gevolg van degeneratie van het gewrichtskraakbeen en er zijn drie belangrijke groeistoornissen als oorzaak te onderscheiden. Deze drie groeistoornissen zijn:
*
Los Processus Anconeus (LPA)
*
Los Processus Coronoïdeus (LPC)
*
OsteoChondritis Dissecans (OCD)
De rassen die één of meerdere van deze aandoeningen krijgen zijn middelgrote tot grote snelgroeiende rassen.
Oorzaak van deze groeistoornissen: te snelle groei waarbij òf stoornissen optreden in de vorming van kraakbeen òf in de harmonieuze groei van botdelen. Wetenschappelijk onderzoek heeft uitgemaakt dat het om erfelijke aandoeningen gaat met een vergelijkbare erfelijkheidsgraad als die van heupdysplasie.
Los Processus Anconeus (LPA)
Er is er sprake van een los stukje bot in het gewricht, wat aanleiding geeft tot irritatie. Dit gaat over in pijn en de hond zal mank gaan lopen. Als beide ellebogen aangedaan zijn dan kan het kreupel lopen soms moeilijk waargenomen worden. De eerste symptomen kunnen zichtbaar zijn vanaf de 4-5e levensmaand. De instabiliteit van de elleboog, veroorzaakt door het losse stukje bot, zal resulteren in artrose van het gewricht. Met behulp van röntgenfoto’s kan dit definitief worden vastgesteld. Een operatie is noodzakelijk om het probleem te verhelpen. In bijna alle gevallen zal de artrose, ondanks de chirurgische behandeling, blijven bestaan. LPA is hoogstwaarschijnlijk erfelijk.
Los Processus Coronoïdeus (LPC)
Ook dit is een los stukje bot in het ellebooggewricht. Het is de meest voorkomende oorzaak van elleboogsdysplasie bij de hond. Het stukje bot is afgebroken door overbelasting of het oppervlakkige gewrichtskraakbeen is beschadigd geraakt. De hond is kreupel nadat hij enige tijd gelegen heeft of na inspanning. De klachten kunnen ontstaan vanaf de 4e levensmaand. De hond draait de ondervoet naar buiten en de elleboog wordt tegen het lichaam gedrukt om de poot te ontlasten. Zijn beide ellebogen aangetast dan wordt het moeilijker te constateren. De aandoening geeft aanleiding tot irritatie van het ellebooggewricht en resulteert in artrose. Met behulp van artroscopie is de diagnose zeker te stellen. Men kan de elleboog opereren, maar ook kan men het proberen met medicijnen en rust. Bij sommige rassen komt het erg veel voor.
OsteoChondritis Dissecans (OCD)
Dit is één van de drie oorzaken van elleboogdysplasie. De aandoening komt bij enkele middelgrote tot grote rassen voor en lijkt veel op het beeld van LPC. Op de bovenarm, dicht bij het gewricht, zien we een beschadiging van het gewrichtskraakbeen. De hond kan vanaf de 4-5e levensmaand kreupel gaan lopen. Ook deze aandoening kan beiderzijds voorkomen.Met behulp van röntgenfoto's is de aandoening goed op te sporen.. Bij een snelle chirurgische behandeling is de prognose redelijk tot goed, in ieder geval beter dan die van de LPC. voorkomen van dit probleem kan alleen door fokmaatregelen te nemen.
OCD of te wel elleboogdysplasie
Dit is een verzamelnaam voor erfelijke elleboogproblemen op basis van osteochondrose.
Wat is osteochondrose
Dit is een verstoring van de omvorming van kraakbeen in bot. Hierdoor ontstaat
een te dikke laag kraakbeen, waardoor er door slechte voeding en overbelasting
van dit kraakbeen scheuren kunnen ontstaan. Deze scheuren kunnen doorgaan, waardoor
er losse stukjes in het gewricht kunnen komen. Hierdoor kan het gewricht geïrriteerd
raken, met als gevolg kreupelheid en overvulling van dat gewricht.
Welke 3 botten vormen het ellebooggewricht
Aan de kant van de schouder zit het opperarmbeen, dat door middel van het ellebooggewricht
is verbonden met zowel het spaakbeen als de ellepijp.
Waar zitten de problemen
In het gewricht aan beide uiteinden van de gewrichtsvlakte van de ellepijp en
aan de binnenkant van de gewrichtsvlakte van het opperarmbeen.
Bij welke rassen komt het voor
Vooral bij de grote rassen, zoals Duitse Herders, Retrievers, Bassets, Sint
Bernards, Berner Sennen, Rottweilers en Collies "kortsnuitige"rassen,
zoals de bulldog.
Op welke leeftijd komt het voor
Een kreupelheid of stijfheid van een of beide voorpoten kan zich op 5-8 maanden
leeftijd voordoen. NB Het is belangrijk dat kreupelheid van jongen honden, met
name van bovengenoemde rassen, goed wordt onderzocht, zelfs als de kreupelheid
"snel" weer over is. Als de elleboogdysplasie op jonge leeftijd gemist
wordt, kan het op oudere leeftijd (bijv. rond de 2 ½ jaar) zeer ernstige
artrose en kreupelheid geven.
Onderzoek bestaat uit beoordeling van:
* de mate van kreupelheid,
* de gewrichtsovervulling,
* de manier van lopen, bijv. de poot schuin naar voren zetten,
* pijnlijkheid bij passief bewegen en overstrekken van de elleboog,
* röntgenfoto's, ook van de andere elleboog, omdat elleboogdysplasie vaak
aan beide zijden voorkomt.
Behandeling
Operatieve verwijdering van losse fragmenten en glad maken van de kraakbeenranden,
op de plaats waar de stukken zijn afgebroken. Hiermee wordt ernstige artrose
(=botwoekering) en dus ernstige kreupelheid op later leeftijd voorkomen.
NB. Het is meestal niet zo dat de kreupelheid helemaal verdwijnt, maar wel duidelijk vermindert en door de operatie wordt verergering op later leeftijd voorkomen.
Fokbeleid
Afgezien van kreupelheid bij de individuele hond is er sprake van een erfelijke
aandoening. Dat wil zeggen dat we, binnen de verschillende rassen, de honden
moeten proberen op te sporen die de afwijking door zouden kunnen geven aan hun
nakomelingen. Deze dieren mogen niet voor de fokkerij worden gebruikt.
Officieel elleboogdysplasie onderzoek
Vergelijkbaar met het officiële HD-onderzoek voor de heupen is er voor
bepaalde rassen een ED-onderzoek om erfelijke elleboogproblemen op te sporen.
Hierbij worden de röntgenfoto's door bepaalde dierenartsen gemaakt en opgestuurd
naar een speciale commissie, die de foto's beoordeelt. Deze röntgenfoto's
dienen van erg goede kwaliteit te zijn om een betrouwbare beoordeling mogelijk
te maken.
Zijn heupdysplasie en elleboogdysplasie erfelijk?
Prof. Dr. H.A.W. Hazewinkel
Faculteit der Diergeneeskunde, Vakgroep Geneeskunde van Gezelschapsdieren, Universiteit
Utrecht.
Inleiding
In de veterinaire praktijk vallen heupdysplasie (HD) en elleboogdysplasie (ED)
onder de meest voorkomende orthopedische afwijkingen. Beide komen vooral voor
bij middelgrote en grote honden, beide zijn ontwikkelingsstoornissen, en beide
zijn voor de patiënt vaak een bron van veel pijn en ongemak. Daar komt
nog bij dat, niettegenstaande de inzet van individuele fokkers en rasverenigingen,
HD en ED onverwachts de kop kunnen opsteken bij een of meer honden terwijl nestgenoten
van diezelfde honden géén klinische tekenen van kreupelheid tonen.
Alvorens in te gaan op de vraag die in de titel van deze bijdrage wordt gesteld
- zijn HD en ED erfelijk? - geef ik eerst wat achtergrondinformatie over deze
aandoeningen.
Ontwikkeling van heup- en ellebooggewricht
Het skelet van een hondenembryo is aanvankelijk een structuur van kraakbeen.
Kraakbeen is zacht weefsel dat groeit door celvermenigvuldiging en door vergroting
van de individuele kraakbeencellen. Dit is vergelijkbaar met het meeste andere
weefsel in het lichaam, maar anders dan botweefsel.
Botweefsel heeft een vaste structuur en bevat botcellen die zich niet kunnen delen en die niet kunnen groeien. Tegen de tijd dat de pup wordt geboren, wordt het kraakbeen in het midden en in de uiteinden van lange beenderen vervangen door bot. Alleen tussen deze benige centra en aan het einde van het bot blijft kraakbeen aanwezig, dat in dit stadium groeischijfkraakbeen wordt genoemd omdat het ervoor zorgt dat het skelet na de geboorte nog kan groeien. Het kraakbeen van de groeischijven tussen de benige delen zorgt ervoor dat de lange botten in de lengte groeien. Het kraakbeen dat de botuiteinden van gewrichten bedekt zorgt voor de groei in diameter van dat deel van het skelet. Het proces van kraakbeengroei wordt gevolgd door transformatie van het kraakbeen naar het veel hardere botweefsel. Wanneer dit verbeningsproces is voltooid en alle groeischijven zijn vervangen door bot, groeit het skelet niet meer: het dier is volgroeid. Maar dit betekent niet dat het verbeende skelet niet meer verandert van vorm en samenstelling. Bot wordt afgebroken door speciaal daarvoor toegeruste cellen en wordt waar nodig vervangen door andere cellen. Botmodelleren begint al in de jeugd en gaat door bij volwassen dieren.
De groeicurve van opgroeiende honden van grote rassen verloopt steiler dan die van jonge honden van kleine rassen, vooral tussen de eerste drie en zes levensmaanden. Met andere woorden, de groei van pups van grote rassen gaat samen met een snellere groei in kilo's lichaamsgewicht en in centimeters botlengte per week. Verschillen in groeisnelheid worden ook veroorzaakt door individuele variatie in hormonen (mannelijke versus vrouwelijke hormonen) en in milieuomstandigheden. Onder die laatste vallen ook de kwaliteit en de hoeveelheid van de dagelijkse voeding. Deze factoren beïnvloeden niet alleen de groei van kraakbeen maar ook de botvernieuwing. Het heupgewricht bestaat uit de heupkom (het acetabulum) en de heupkop (caput femoris) op een hals. Bij de opgroeiende hond bestaat de heupkom uit vier kleine botdelen, met kraakbeenzones daartussen, zodat de doorsnede van de kom groter kan worden en zich kan aanpassen aan de groei van de kop. De kop groeit via het proces van kraakbeengroei en verbening tot bot. Tijdens de groei verandert de hals, waarbij de contacthoek tussen kom en kop aangepast wordt. Kop en kom worden bijeen gehouden door een kleine gewrichtsband, het kapsel van de gewrichtsholte en de spieren rond het heupgewricht. Een goede aansluiting en pasvorm zorgen dat kom en kop zich harmonieus kunnen ontwikkelen. Als de kop niet, of niet goed, in de kom zit, wordt de kom onvoldoende diep. Als de kraakbeengroei van de kop wordt belemmerd, dan blijft die te klein of ‘onvolwassen' (en daarom kwetsbaar). Wordt de skeletomvorming belemmerd, dan is de richting van de hals niet aangepast aanhet groeiende skelet.
Het ellebooggewricht wordt gevormd door drie beenderen: de bovenarm (humerus) en de bijeenhorende botten in de onderarm,het spaakbeen (radius) en de ellepijp (ulna). Deze drie beenderen passen perfect in elkaar, zodat de elleboog kan strekken en buigen. Verder kan de onderarm in zekere
mate draaien (schroevendraaierbeweging), wat vooral een beweging is tussen spaakbeen en ellepijp. De ellepijp heeft twee belangrijke uitsteeksels: (1) het processus anconeus, dat van belang is bij het strekken van het gewricht, en (2) het processus coronoïdeus, dat van belang is bij de draaiende beweging van ellepijp rond spaakbeen. Zoals alle skeletonderdelen zijn het processus anconeus en het processus oronoideus aanvankelijk van kraakbeen; tijdens de groei wordt dit vervangen door benig weefsel. Dit verbeningsproces is met 5 tot 7 maanden zo goed als voltooid. Als de lengtegroei van spaakbeen of ellepijp wordt belemmerd, kan de kom die deze twee beenderen samen vormen onvoldoende aansluiten op de vorm van de kop van de bovenarm; het resultaat is een incongruentie met het gewrichtsvlak van de humerus.
Als er abnormale schuifkrachten worden uitgeoefend op het processus anconeus
of het processus coronoïdeus, kunnen deze afbreken. De ontwikkeling van
kraakbeen ter afdekking van het benige deel van het processus coronoïdeus
of op het gewrichtsvlak van de humerus kan verstoord worden, hetgeen tot plaatselijke
verdikking kan leiden. Zo'n kwetsbaar stukje kraakbeen kan afbreken; het gevolg
is een gefragmenteerd processus coronoideus of een los flapje kraakbeen.
Heupdysplasie (HD)
Door een stoornis in de normale ontwikkeling van heupkom en -kop en een slechte
aansluiting van deze beenderen zullen delenvan het kraakbeenomhulsel overbelast
raken. Dit veroorzaakt vervorming van het kraakbeen en uiteindelijk misvorming
van het gewricht. Bovendien zal de instabiliteit van het gewricht leiden tot
een stoornis van het kraakbeen en gewrichtsontsteking, hetgeen pijnlijk is.
De kop zal uiteindelijk niet langer diep in de kom passen waardoor het heupgewricht
misvormd (dysplastisch) wordt. De gewrichtsontsteking wordt chronisch (osteoarthrose),
hetgeen leidt tot beperkte bewegingsmogelijkheid van de heupgewrichten en tot
pijn tijdens en vooral na activiteit. Bij osteoarthrose groeit nieuw bot (osteophyten)
aan de randen van het gewricht, rond de kom en op de hals. Deze osteophyten
woekeren alle kanten op, de groeisnelheid is afhankelijk van de ernst van de
osteoarthrose. Bij jonge honden van 4 tot 12 maanden is pijn de meest opvallende
klinische indicatie van HD: pijn tijdens het staan (de hond gaat snel weer zitten),
pijn tijdens het lopen (de hond weigert te lopen, loopt met zwaaiende heupen),
en pijn bij springen of klimmen.

L: normale heupen R: Heupdysplasie
Een slechte of goede aansluiting van kop en kom kan worden aangetoond met speciale klinische of radiologische technieken. Met röntgenfoto's kan de aansluiting van kop en kom objectief worden gekwantificeerd door bepaling van de Norbergwaarde en botwoekeringen kunnen met speciale radiologische beelden zichtbaar worden gemaakt. Bij oudere honden gaat het vooral om pijn na te zware inspanning, en niet zozeer om niet graag te willen of kunnen staan, lopen, springen of klimmen. Bij jonge honden met HD-klachten kan een slechte aansluiting van kop en kom operatief gecorrigeerd worden. Bij volwassen honden kan een kunstmatig gewricht ingebracht worden. Niet-operatieve behandelingen zijn aangepaste lichaamsbeweging, gewichtsbeperking en medicatie.
Elleboogdysplasie (ED)
De term "elleboogdysplasie" (ED) omvat een aantal onderling onafhankelijke
afwijkingen die alle in het ellebooggewricht optredenen vooral voorkomen bij
jonge honden van grotere rassen. Deze afwijkingen veroorzaken pijn en leiden
uiteindelijk tot invaliderende osteoarthrose van het aangetaste
gewricht. De meest frequent voorkomende diagnoses van stoornissen die onder ED vallen, zijn: (1) een losgeraakt processus aconeus (los processus anconeus = LPA); (2) een losgeraakt of afgebroken processus coronoïdeus (LPC); (3) een los stukje gewrichtskraakbeen afkomstig van de humerus
(osteochondrosis dissecans, OCD); (4) twee verschillende vormen van gewrichtsincongruentie met gestoorde groei van de radius of de ulna (dat wil zeggen, de kom sluit niet perfect aan op het gewrichtsvlak van de humerus). De losse stukjes bot of kraakbeen in het geval van LPA, LPC of OCD
irriteren het gewricht en veroorzaken pijn, gewrichtsontsteking en uiteindelijk osteoarthrose. Elleboog Incongruentie (EI) veroorzaakt schuifkrachten op en mogelijke losraking van het processus anconeus of coronoïdeus, met als gevolg LPA of LPC. EI veroorzaakt ook te zware belasting van een kleiner draagvlak van het gewricht, waardoor het kraakbeen wordt aangetast met als gevolg pijnlijke gewrichtsontsteking en uiteindelijk osteoarthrose.
Een hond met één aangetaste elleboog zal ergens tussen 4 en 6 maanden beginnen te kreupelen. Als beide ellebogen door ED zijn aangetast, dan zullen de enige indicaties waarschijnlijk een korte paslengte en een tegenzin om te rennen en te spelen zijn. Bij klinisch onderzoek kan men een licht gekraak horen of voelen als het gewricht wordt bewogen. LPA, OCD en EI kunnen zichtbaar gemaakt worden op drie verschillende radiologische opnamerichtingen. LPC is in de beginfase moeilijk te zien en wordt pas duidelijker zichtbaar als zich tekenen van osteoarthrose ontwikkelen. Operatieve verwijdering van irriterende losse fragmenten (LPA, LPC, OCD) of operatief vastzetten van het LPA, en chirurgische correctie van incongruentie zijn geïndiceerd in de meeste gevallen van milde osteoarthrose. Bij ernstige osteoarthrose van het ellebooggewricht is de prognose voor volledig herstel matig tot slecht. Niet-operatieve behandeling van osteoarthrose omvat verminderde dagelijkse inspanning, beperking van lichaamsgewicht en medicatie om kraakbeengroei te bevorderen, gewrichtsontsteking te remmen en pijn te verminderen.

L: normale elleboog R: elleboogdyplasie
Invloeden van het milieu op HD en ED
Dr. Kealy verrichtte een heel interessant onderzoek met 20 Labrador-paren. [1]
Per paar ging het om 2 nestgenoten van hetzelfdegeslacht, die samen in één
kennel waren gehuisvest. Eén van de twee mocht zoveel eten als hij/zij
wilde, terwijl de ander 2/3 vandie hoeveelheid kreeg. Met regelmatige tussenpozen
werden alle honden gewogen en geröntgend. De honden die onbeperkt mochten
eten bereikten een gemiddeld lichaamsgewicht van 32 kg, hun nestgenoten die
de beperkte hoeveelheid voedsel kregenbereikten een gemiddeld gewicht van 23
kg, terwijl alle honden dezelfde beenlengte
hadden. De losheid van de heupen (uitgedrukt met de Norbergwaarde) en de mate van osteophytenvorming (osteoarthrose) wasbij de ongelimiteerd gevoerde honden groter dan bij de beperkt gevoerde honden. Voor Duitse Doggen grootgebracht op voer met veel mineralen, vitaminen en energie toonde dr. Hedhammar aan dat bij onbeperkt gevoerde honden het modelleren van kop en hals van dijbeen achterbleef vergeleken me55t beperkt gevoerde nestgenoten, waardoor de kop slechter in de kom past. [2] Dr. Kasström toonde voor nesten van Duitse Herders, Golden Retrievers en
Labrador Retrievers aan dat onbeperkte voeding leidde tot frequentere en zwaardere HD dan gevonden werd bij beperkt gevoerde nestgenoten. De uiteindelijke heupscore had meer te maken met voeding en gewichtstoename dan met losheid van het gewricht bij de jonge hond. [3] In Utrecht werd aangetoond dat bij Duitse Doggen grootgebracht op voer met een hoog calciumgehalte, de kraakbeenkernen in de elleboog op latere leeftijd verbeenden dan het geval was bij honden die opgroeiden met een gebalanceerd voer met een lager calciumgehalte. [4] Ook afwijkingen in de lengtegroei van het
spaakbeen en de ellepijp, waardoor EI ontstaat, werden vaker gevonden bij Duitse Doggen die te veel calcium kregen. Tevens werden stoornissen in kraakbeentransformatie (OCD) vaker geconstateerd bij Duitse Doggen die opgroeiden met een calciumrijk voer dan bij nestgenoten met een gebalanceerd dieet. [5] Bij honden van kleine rassen veroorzaakte een hoge mineraalopname niet de skeletstoornissen die we bij de grote rassen zien. [6] Ook voeding met een hoog vitamine-D-gehalte kan leiden tot symptomen van OCD en/of verstoorde groei van spaakbeen of ellepijp. Onderzoek van Nap c.s. toonde aan dat voedsel met een hoog eiwitgehalte, zoals puppyvoer van goede kwaliteit, géén negatieve invloed heeft op de skeletontwikkeling. [7] Samengevat: snelgroeiende honden kunnen HD en/of ED ontwikkelen wanneer ze worden grootgebracht op een mineralen- of vitaminenrijke voeding, of zelfs als ze een overdadige hoeveelheid gebalanceerd voer krijgen, terwijl ras- en zelfs nestgenoten die met correcte voeding.worden grootgebracht géén HD of ED krijgen. Hondenvoer met de optimale hoeveelheid mineralen, vitaminen, eiwitten en koolhydraten schept de basis voor een normale kraakbeenontwikkeling, voor verbening van het kraakbeen, en voor definitief modelleren van de beenderen. In vroeger tijden, toen er nog geen puppyvoer beschikbaar was met een lage mineraal- en energiebalans, adviseerden dierenartsen om puppies een voer voor volwassen honden te geven, om zo de opname van mineralen, vitaminen en energiete beperken. Maar de lagere energiewaarde van het voedsel dwong de pup om meer grammen van dat 'volwassen' voer te eten. Daardoor kwam ook de dagelijkse opname van mineralen en vitaminen boven de optimale hoeveelheid uit, waardoor skeletstoornissen zoals HD en ED onopzettelijk gestimuleerd werden. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat honden van reuzenrassen die grootgebracht worden op een gebalanceerd puppydieet met maximaal 0,8 tot 1% calcium (% van droge stof) zowel een versneld proces van botvernieuwing kennen als een niet-verstoorde kraakbeengroei en verbening van het kraakbeen. In combinatie met een verminderde energieopname schept dit puppyvoer de optimale omstandigheden voor een ongestoorde skeletontwikkeling.
HD en ED zijn dus geen erfelijke afwijkingen?
We hebben gezien dat voeding een belangrijke invloed heeft op de mate waarin
HD en ED optreden. Dit geldt vooral voor jonge honden van grote rassen, die
sneller groeien dan de pups van kleine rassen. Uit onderzoeken van Nap c.s.
onder dwergpoedelsbleek dat een teveel aan mineralen slechts milde, klinisch
niet-relevante gevolgen had voor de skeletontwikkeling bij deze kleinetot middelgrote
honden.
Dr. Ubbink en anderen toonden aan dat bij de Nederlandse Labradorpopulatie ED wordt aangetroffen in bepaalde verwante subpopulaties. Daarnaast toonde Ubbink aan dat LPC en OCD voornamelijk in verschillende subpopulaties optreden, en slechts zelden tegelijk in dezelfde subpopulatie worden gevonden. [8] In een onderzoek onder Berner Sennenhonden met röntgenologisch gediagnosticeerde ED (met name LPC met EI) bleek dat deze honden dezelfde levensstijl, huisvesting en voedingsregimes hadden als een vergelijkbare groep Berner Sennenhonden met ED-vrije ellebooggewrichten op röntgenfoto's. Deze studies lijken aan te geven dat de ontwikkeling van ED onafhankelijk is van voeding, levensstijl of huisvesting. Populatieanalyse gaf aan dat HD en ED een lage erfelijkheidsgraad (h²) hebben, die voor verschillende onderzochte rassen onder min of meer uniforme milieuomstandigheden varieert van 0,2 tot 0,6 voor HD, en van 0,24 tot 0,55 voor ED. [9] Met andere woorden: zowel HD als ED vereist een sterke invloed van het milieu om duidelijk tot uiting te komen.
Als we de resultaten van bovenstaande studies combineren, kan geconcludeerd worden dat HD en ED optreden bij honden vanbepaalde rassen en dat deze afwijkingen zich zullen ontwikkelen onder bepaalde milieuomstandigheden. Naar de invloedvanvoeding - één van die omstandigheden - is veel
onderzoek gedaan. Theoretisch zou het mogelijk zijn honden van kwetsbare rassen op te laten groeien onder milieuomstandigheden die het tot uiting komen van HD en ED bevorderen, om zo de genotypische lijders te vinden. We zullen echter meer geneigd zijn om jonge honden van HD- en ED-gevoelige rassen groot te brengen met een optimale kwaliteit en kwantiteit van voeding, en met beperkte beweging, om niet het risico te lopen dat we de ontwikkeling van skeletstoornissen stimuleren. Het gevolg daarvan is dat de genotypen van HD en ED onopgemerkt blijven in de populatie,en pas naar voren komen in een volgende generatie, als nakomelingen van fenotypisch vrije honden onder minder gunstige omstandigheden worden grootgebracht. Om te voorkomen de genen voor HD en ED in de populatie verspreid raken, dienen de fokdieren nauwgezet op HD en ED onderzocht te worden, met de meest moderne technieken. Voor de fokkerij moeten honden met onaangetaste gewrichten of met de minst ernstige gradatie van de stoornis worden ingezet.
Onderzoek van volledige nesten van Labrador Retrievers toonde aan dat uit fenotypisch gezonde ouders honden met ED wordengeboren. [10] Uit analyse bleek dat het gen voor LPC in dit ras hoogstwaarschijnlijk dominant met variabele expressie is: vooralbijreuen correspondeert het genotype met het fenotype, terwijl bij de teven het gen voor LPC verborgen kan blijven. Deze wijzevanvererving is een tweede oorzaak voor onverwacht her-optreden van een skeletafwijking in een volgende generatie. Onderzoek bijhonden met HD heeft aangetoond dat dit wellicht een polygenetische stoornis is, waarbij meerdere afwijkende genen moeten samenkomen om de HD tot uiting te brengen in eenaangetaste hond. [11] Aanvullend op het onderzoek van individuele fokdieren, zal nakomelingen- en familieonderzoek helpen om inzicht te krijgen in de genotypen van het fokmateriaal. Er zijn aanwijzingen, op basis van recent moleculair-biologisch onderzoek, dat zowel HD als ED "major gene" fenomenen zijn, dat wil zeggen dat één of meer genen een hoofdrol spelen bij het optreden van deze afwijkingen. Het is de verantwoordelijkheid van de internationale kennelclubs om onderzoek te stimuleren en te ondersteunen om deze genen te lokaliseren, om zo de dragers, die de afwijkende genen aan de volgende generatie doorgeven, te kunnen opsporen. Het zal nog enige hondengeneraties duren alvorens DNA-onderzoek voor HD of ED realiteit is. Daarom is het nu tijd dat de internationale kennelclubs tot een uniform systeem van beoordeling en registratie komen en bekendmaken op welke methode hun beoordelingis gebaseerd, zodat fokkers in binnen- en buitenland inzicht krijgen in de status van heup- enellebooggewrichten. Op dit momenthebben we te maken met een gevaarlijke paradox: honden uit landen met de meest gevoelige beoordelingsmethode voor HD en ED kunnen lager scoren en het daardoor op de internationale markt verliezen van honden die getest zijn met behulp van onderzoeksmethoden die volgens de moderne veterinaire inzichten niet meer acceptabel zijn.
Samenvatting
HD en ED zijn beide stoornissen in de ontwikkeling van het snelgroeiende skelet,
die samengaan met veel lijden voor de aangetaste honden en hun eigenaars. In
risicorassen treden HD en ED veelvuldiger en in ernstiger mate op bij honden
die worden grootgebracht op voer met een hoog vitamine- of mineralengehalte,
op voer verrijkt met mineraal- of vitaminesupplementen, of wanneer het voedselaanbod
onbeperkt is. Anderzijds kan een verlaagde inname van calcium (optimaal is 0,8-1,0%
Ca/droge stof) en beperkte energieopname het optreden van HD en ED onderdrukken.
De wijze van vererving, de lage erfelijkheidsgraad en de grote invloed van milieuomstandigheden
(vooral dagelijkse voeding) op het optreden van HD en ED in genotypisch aangetaste
dieren kunnen de redenen zijn dat fokdieren waarvan werd aangenomen dat zij
vrij waren van HD en ED toch lijders onder hun nakomelingen hebben. DNA-testen
dienen het toekomstige doel voor internationale kennelclubs en rasvereniging
en te zijn. Nauwgezet en consequent testen van fokdieren en hun naaste verwanten,
en heldere internationale certificering van heup en elleboogstatus zijn de belangrijkste
punten voor de hedendaagse kynologie om verspreiding van de genen gerelateerd
aan HD en ED binnen de risicorassen, en daarmee het optreden van deze invaliderende
stoornissen, tegen te gaan.
Patella luxatie
Patella is de officiële naam voor de knieschijf. Een patella luxatie betekent
dus een verschoven knieschijf. Er zijn verschillende vormen van luxaties. De
meest voorkomende is de luxatie naar mediaal, d.w.z. naar de binnenzijde. We
zien dit vaak bij honden van de kleine rassen. De luxatie naar lateraal, waarbij
de knieschijf aan de buitenzijde voelbaar is zien we soms bij de grote rassen,
vaak in combinatie met een draaiing van het dijbeen. Deze laatste vorm is zeldzaam.
Hierna zullen we het daarom alleen hebben over de luxatie naar mediaal.
Oorzaak
Het kniegewricht is de verbinding tussen dijbeen en scheenbeen. Aan de voorzijde
onderaan het dijbeen loopt een sleuf waar de knieschijf doorheen glijdt. Aan
boven en onderzijde van de knieschijf zit de kniepees die op haar beurt weer
vastzit aan een beenkam bovenaan, voorop het scheenbeen.Bij sommige honden is
de sleuf in het dijbeen te ondiep en zit de aanhechting van de kniepees wat
te ver naar binnen. De knieschijf kan dan gemakkelijk uit z'n sleuf naar binnen
schieten (afglijden). Als dit gebeurt spreken we van een patella luxatie.
Voorkomen
De patella luxatie naar binnen (mediaal) is vooral een probleem bij de kleinere
hondenrassen zoals terriërs, dwergpoedels, chihuahua's, papillons en andere
kleine honden. Het komt echter ook af en toe voor bij de grotere rassen.
Diagnose
De klachten van de hond hangen af van de ernst van de luxatie. We kennen verschillende
vormen; Als de knieschijf er slechts af en toe afschiet, spreken we van een
habituele patella subluxatie. Honden die dit hebben, lopen af en toe een paar
passen met een poot opgetrokken. De knieschijf is alleen op dat moment van zijn
plaats geschoven. Na een paar stappen schiet hij weer terug en de hond loopt
normaal verder. Wanneer de knieschijf er vaker afligt en slechts af en toe terugspringt,
spreken we van een stationaire (sub)luxatie. Deze honden hebben problemen met
overeind komen en lopen. Ze gaan met hun achterpoten met O-beentjes (een soort
kikkerpas) lopen. De hond heeft bier zelf behoorlijk last van. De ergste vorm
is wanneer de knieschijf er totaal afligt en ook niet meer op z!n plaats is
terug te leggen. Deze dieren kunnen niet normaal staan en moeten als het ware
roeien met hun achterpoten om vooruit te komen. Soms lopen ze alleen op hun
voorpoten!! Bij onderzoek moet niet alleen naar de ligging van de knieschijf
gekeken worden maar ook naar de stand van het dijbeen. Verder zijn de kromming
van de beenkam op het scheenbeen en de diepte van de sleuf in het dijbeen van
belang. Ook zien we in combinatie met een patella luxatie nog wel eens andere
knieproblemen zoals gescheurde kruisbanden of extra gewrichtsslijtage.
Behandeling
Dieren met een patella subluxatie, waarbij de knieschijf maar heel af en toe
luxeert hoeven niet perse geopereerd te worden. Als de knieschijf vaker van
zijn plaats schiet, of zelfs permanent verkeerd ligt moet er worden ingegrepen.
De enige manier is operatief. Bij een subluxatie is het vaak voldoende om de
aanhechting van de kniepees een stukje te verplaatsen. Dit gebeurt door de beenkam
bovenaan bet scheenbeen los te maken en op de correcte plaats weer vast te zetten.
Als ook de sleuf in het dijbeen (knie) te ondiep is moet deze worden uitgediept.
Vroeger gebeurde dit door in het dijbeen een nieuwe sleuf te frezen. Nadeel
hiervan was dat het gewrichtskraakbeen onherstelbaar beschadigd werd. Daarom
kiezen we nu liever veer technieken waarbij dit kraakbeen zoveel mogelijk gespaard
blijft. Hiernaast wordt het gewrichtskapsel strakker aangetrokken zodat de knieschijf
beter op z 'n plaats blijft liggen. De behandeling van dit knieprobleem verschilt
dus van geval tot geval en is afhankelijk van de ernst van de aandoening.
Erfelijkheid
De aandoening is erfelijk. Het is daarom raadzaam niet te fokken met dieren
met een duidelijke luxatie. De precieze wijze van overerving is niet bekend,
maar zal waarschijnlijk op meerdere factoren berusten, net zoals b.v. bij heupdysplasie.
Preventie
Afgezien van een gericht fokprogramma is er geen manier om luxaties te voorkomen.
Traplopen, springen en dergelijke hebben geen directe invloed op het ontstaan
van een luxatie.
Problemen met de knieschijf
Tijdens een wandeling tilt de hond zijn achterpoot op en hinkt en loopt even
later weer normaal. Dit herhaalt zich de volgende dag weer en de kans is groot
dat dit probleem zich blijft herhalen en duidt dit vermoedelijk op een losse
knieschijf of teweten Patella Luxatie. De losse knieschijf kan bij alle rassen
voorkomen.
Bij de meeste honden is het een aangeboren afwijking, maar niet altijd erfelijk
bepaald. Ook honden die zijn aangereden of te zwaar zijn, of te veel rennen,
springen of een onverwachte beweging maken kunnen er last van krijgen. Wat er
gebeurt is dat de knieschijf van zijn plaats schiet en links of rechts naast
het gewricht belandt, dit geeft een knappend geluid. Door de verandering van
de knieschijf komen ook de spieren anders te liggen, met het gevolg dat de hond
automatisch de achterpoot buigt.
Bij sommige honden schiet de los geraakte knieschijf er 1 x per maand uit en
bij anderen ligt hij er continue naast, buiten dat dit heel erg pijnlijk is,
veroorzaakt het ook een ongecontroleerde beweging. Het is niet zo dat de hond
alleen maar iets voelt als de knieschijf er uit schiet, hij heeft voortdurend
last van een nare zeurende pijn die niet verdwijnt. Als de hond dus de indruk
wekt problemen te hebben met een van zijn knieschijven, doet u er verstandig
aan om naar de dierenarts te gaan, die kan bepalen of een operatie noodzakelijk
is. Dit houdt in dat de knieschijf beter in het gewricht wordt geplaatst.
Hoe hangt af van de situatie, de dierenarts kan de pezen aan het gewricht hechten,
maar kan ook de gleuf in het gewricht uitdiepen zodat de knieschijf er niet
meer uitschiet. Hoe sneller de hond op de behandeltafel ligt, hoe minder ingrijpend
de operatie zal zijn en hoe minder het gewricht is aangetast, hoe eerder de
hond weer op de been is.
Erfelijke aandoeningen zijn alleen maar te voorkomen door aanpassing van het fokbeleid. Het is onverstandig om een hond met aanleg voor Patella Luxatie te laten rennen en draven. Het is dus beter om een jonge hond het eerste halfjaar liever zes keer per dag 10 minuten te laten lopen als twee keer een half uur. Dit betekent nu ook weer niet dat de hond voortdurend geremd moet worden en niets meer mag en steeds naast je moet lopen. Natuurlijk mag hij best een keer draven. Waar het om gaat is dat de jonge hond niet steeds achter ballen aan rent en hoge sprongen maakt. Ook onverwachtse draaiende bewegingen kunnen funest zijn voor het kwetsbare kniegewricht. Dus laat een jonge hond alles met mate doen, voorkom dus ook traplopen, op banken en stoelen springen, dit zijn slechte belastingen omdat het gehele gewicht op de achterhand terecht komt. Let ook op overgewicht, teveel kilo's is ook een belasting en kan problemen geven. Pas als de hond uitgegroeid is en de bespiering goed ontwikkeld zijn kan de belasting geleidelijk aan worden opgevoerd. Kijk wat er gebeurt en als u de zaak niet vertrouwd raadpleeg dan uw dierenarts.
Oogafwijkingen
Ectropion
Ectropion is het naar buiten krullen van de wimperrand. Wanneer het ooglid langs
de neuskant is omgekruld, spreken we van mediaal entropion. De hond traant en
knijpt de oogleden meer toe daar het niet goed sluit kan het oog drogen. De
slijmvliezen zijn roder. Het hoornvlies kan ontstoken geraken. Wanneer de aandoening
een tijdje bestaat, dan kunnen er bloedvaten, witte plekken (oedeem), pigment
en soms sekwestervorming aanwezig zijn in het hoornvlies. Bij een lichte graad
van extropion wordt vaak enkel wat beschermende oogzalf voorgeschreven. In erge
gevallen wordt de hond geopereerd. Er wordt een stukje huid weggenomen dicht
bij de ooglidrand zodat die niet meer omkrult. Honden die met hun poot beginnen
wrijven aan het oog of met hun hoofd over de grond wrijven, dragen best tijdelijk
een kap na de ingreep. Als na-behandeling wordt een antibioticumzalf 4X per
dag gebruikt. De draadjes worden na 10 tot 12 dagen verwijderd.
Dit is een afwijking waarbij een ooglid (meestal het onderooglid) naar buiten
draait. Het komt bij veel rassen voor.
Entropion
Het naar binnen krullen van de rand van het ooglid noemt men entropion.
Het kan hierbij gaan om het hele onderooglid of delen hiervan, alleen om de
binnenooghoek of om het bovenooglid. Iedere keer als de hond knippert, raspen
de haren op de rand van het naar binnengekrulde ooglid over het hoornvlies.
Dit veroorzaakt op den duur beschadigingen en ontstekingen.
Een hond heeft veel last van entropion; dat is te merken aan het heftige tranen van het oog, lichtschuwheid, het afscheiden van slijm en pus, veel knipperen en het toeknijpen van de oogleden. Uiteindelijk kan het hoornvlies helemaal ondoorzichtig worden. Ook kan er een zeer pijnlijk hoornvlieszweer ontstaan; het doorbreken hiervan leidt in de meeste gevallen tot blindheid of zelfs tot verlies v.h. oog.
Bij voorkeur moet een hond aan entropion geopereerd worden als zijn hoofd is uitgegroeid, maar bij pups moet soms eerder ingegrepen worden om vergaande beschadiging van het hoornvlies te voorkomen. De operatie is een precisie werkje en kan het beste worden uitgevoerd door een ervaren chirurg. Als het entropion minder ernstig is, kan het hoornvlies tot aan de operatie worden beschermd met vitamine A-oogdruppels of oogzalf. Entropion is vrijwel altijd een meervoudig overervende afwijking. Daarom zou er met een lijder aan deze aandoening, evenals met zijn ouders en zijn nestgenoten, niet (meer) gefokt moeten worden als de ruimte op te selecteren dat toelaat. Door in de fokkerij te streven naar een kleinere oogspleet, wordt de kans op entropion verhoogd.
Op de foto's hieronder kunt u de verschillende afwijkingen zien, van links naar rechts: Ectropion, Entropion, Cataract, Cherry-eye.
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
Ectropion Entropion Cataract Cherry Eye
Bron
Distichiasis/Ectopische Cilie
Dit is abnormale haargroei in de ooglidrand en op andere plaatsen zoals in de
bindvliezen. De haartjes kunnen door constante irritatie beschadigingen van
het hoornvlies geven. Het komt voor bij meerdere rassen.
Cataract (niet-congenitaal)
Het gaat hierbij om jeugdstaar. In de lens zijn troebelingen aanwezig. Het kunnen
kleine troebele plekjes zijn die lange tijd stabiel zijn en niet of nauwelijks
een vermindering van het gezichtsvermogen geven. Maar ze kunnen ook in ernstige
mate voorkomen en/of uitbreiden en daarbij blindheid van het aangetaste oog
veroorzaken. Cataract kan aan één oog voorkomen, of beiderzijds.
Het komt bij veel rassen voor. De term jeugdstaar is wat misleidend. Bij veel
rassen treedt het op in de eerste levensjaren, maar het kan ook nog op latere
leeftijd optreden. Het onderscheid met het normale verouderingsproces van de
lens (de bekende blauwe waas bij oudere honden) is meestal goed te maken.
Derde ooglid en Cherry eye
Dit is het vlies dat zichtbaar is langs de neuskant van het oog. De basis van
het kraakbeen is omgeven door een traanklier, de derde ooglidklier. In een normale
positie is deze klier niet zichtbaar, ze wordt door een soort bindweefsel op
haar plaats gehouden onderaan de oogbol. De uitpuilende klier is rood, gezwollen
en zichtbaar aan de vrije rand van het derde ooglid. Omwille van de gelijkenis
met een kriek spreekt men van een cherry eye. Meestal is er wat meer slijmerige
uitvloei aan dat oog. Na het aanbrengen van een lokaal anestheticum is het soms
mogelijk om de klier tijdelijk terug op zijn plaats te krijgen door met een
pincet aan de vrije boord van het derde ooglid te trekken.
Een andere mogelijkheid is het wegnemen van een deel of de gehele klier. Omdat de klier ook een rol speelt bij de traanproductie wordt dit ten sterkste afgeraden, het beste is de klier volledig te sparen. Dit gebeurt dan door ze chirurgisch vast te zetten hetzij tegen de binnenkant van de oogkas, aan een extraoculaire spier of aan de sclera (d.i. het witte omhulsel van de oogbol). Een andere ingreep omvat het terug weghechten van de klier onder het slijmvlies van het derde ooglid (techniek van Morgan). Cherry eye kan verward worden met een eversio van het kraakbeen van het derde ooglid, in dat laatste geval is de vrije rand van het derde ooglid naar buiten omgeklapt. Er is dan echter geen klier zichtbaar. De behandeling bestaat uit het chirurgisch verwijderen van het omgekrulde stukje kraakbeen doorheen een klein sneetje in het overliggende slijmvlies. Tot slot moet nog vermeld worden dat de derde ooglidklier ook tumorale veranderingen kan ondergaan en daardoor vergroot en gaat uitpuilen. Deze tumor mag men niet verwarren met een cherry eye.
![]() |