Epilepsie bij hond en kat
Geschreven door Dr. P.J.J. Mandigers
© P.J.J. Mandigers – VSC De Wagerenk – Wageningen - Utrecht
Op deze tekst berust een copyright. Deze tekst mag geheel of gedeeltelijk overgenomen
worden mits volledige bronvermedelding plaats vindt.
Dierenarts-specialist Interne Geneeskunde Gezelschapsdieren bij het Veterinair
Specialistisch Centrum “De Wagenrenk”, Keijenbergseweg 18, 6705
BN Wageningen en toegevoegd onderzoeker Hoofdafdeling Geneeskunde voor Gezelschapsdieren
Universiteit Utrecht.
De auteur is Europees Veterinair Specialist en is geregistreerd als specialist
Interne Geneeskunde van de KNMvD en is geregistreerd als specialist Veterinaire
Neurologie.
INHOUDSOPGAVE
1. Introductie.
2. Wat is epilepsie?
3. De pathofysiologie achter epilepsie.
4. Wat is de oorzaak van epilepsie?
5. Diagnostiek van epileptiforme aanvallen.
5.1. Wanneer starten met de diagnostiek?
5.2. De verschillende vormen van epilepsie: het verschil tussen primaire
pes),secundaire (ses) en reactieve (res) epilepsie.
5.3. Wanneer noemen we het primaire epilepsie: de criteria.
5.4. De diagnostische benadering van een patiënt met epileptiforme aanvallen.
6. Hoe presenteert epilepsie zich?
6.1. De drie vormen naar verschijningsvorm
6.2. Clustering en status epilepticus.
7. Anti-epileptica.
7.1. Phenobarbital.
7.2. Primidone
7.3. Slow release fenytoine
7.4. Kalium bromide
7.5. Diazepam
7.6. Overige
8. De behandeling
8.1. Wanneer starten we met de behandeling?
8.2. Doel van een behandeling.
8.3. Hoe beoordeel je het effect van een behandeling? Drie stappen plan.
8.4. Controle met behulp van de bloedspiegel.
8.5 stoppen met een behandeling.
9. Clustering & status epilepticus
9.1.clustering
9.2 status epilepticus
10. Problemen en veel gestelde vragen.
11. Belangrijke informatie voor de eigenaar.
12. De erfelijkheid van epilepsie.
3. DE PATHOFYSIOLOGIE ACHTER EPILEPSIE.
Ongeacht de oorzaak ontstaan epileptiforme aanvallen altijd in de hersenen.
De aanvallen ontstaan doordat er op celniveau een dysbalans bestaat tussen remmende
en stimulerende processen. Deze dysbalans kan functioneel zijn zonder dat er
sprake is van een anatomisch defect, bijvoorbeeld een tekort van een bepaalde
nutriënt of het aanwezig zijn van een toxische stof. Maar deze dysbalans
kan ook functioneel-anatomisch zijn. In dit geval is er sprake van een echte
laesie, bijvoorbeeld het bestaan van een litteken, ontsteking, ruimte innemend
proces, etc.
Door deze dysbalans kan er een (kortdurende) ontsporing van elektrische activiteit
plaatsvinden. De plaats waar dit ontstaat noemen we het epileptigeen focus.
Vanuit dit epileptigene focus verspreiden deze ongecontroleerde elektrische
ontladingen zich vervolgens over de hersenen en veroorzaken de verschijnselen
die bij een epileptiforme aanval worden waargenomen.
Figuur 1:
Dit is een dwarsdoorsnede van de grote hersenen. In de eerste doorsnede (1)
ontstaat een elektrische ontlading welke zich over de hersenschors uitbreidt
(2 en 3). In dit geval is het een generaliseerde aanval immers de gehele hersenschors
is nu geactiveerd.

4. WAT IS DE OORZAAK VAN EPILEPSIE?
Een epileptiforme aanval ontstaat altijd in de hersenen. De oorzaak kan zich
echter zowel in de schedelholte (intracraniaal) als daarbuiten (extracraniaal)
bevinden. De intracraniale oorzaken kunnen verder onderverdeeld worden in progressieve
en niet-progressieve oorzaken.
Onder progressieve oorzaken verstaat men oorzaken die niet alleen epileptiforme
aanvallen opwekken maar welke in de loop van de tijd (weken tot maanden) ook
verergeren. Zonder ingrijpen ontstaat een voor de patiënt (levens)bedreigende
situatie. Onder niet-progressieve oorzaken verstaat men die oorzaken die de
epileptiforme aanvallen wel kunnen opwekken maar waarbij de ziekte op zich min
of meer stabiel blijft in de loop van de tijd.
Tegenwoordig deelt men de aanvallen in drie groepen in:
1. Primaire of echte of idiopatische epilepsie ook wel genoemd primaire epileptiforme
aanvallen (seizures) (PES).
2. Secundaire epilepsie ook wel genoemd secundaire epileptiforme aanvallen (SES).
Hierbij zit de oorzaak van de aanvallen intracraniaal. De oorzaak kan zowel
progressief als niet progressief zijn.
3. Reactieve epilepsie ook wel genoemd reactieve epileptiforme aanvallen (RES).
Hierbij is de aanval een reactie op een prikkel welke van buiten de hersenen
komt (extracraniaal). De oorzaak kan zowel progressief als niet progressief
zijn.
Signalement & ziektegeschiedenis
Centraal staat het signalement en de ziektegeschiedenis van de patiënt.
Net zo goed als dat primaire epilepsie bij een aantal specifieke rassen onderscheiden
wordt (bijvoorbeeld: Duitse herder, Groenendaeler, Tervuerense herder, St. Bernhard
hond, Engelse springer spaniël, Labrador, Golden retriever, Drentse patrijshond,
etc), wordt een aantal van de bekende differentiaal diagnoses bij specifieke
rassen gezien.
Een uitvoerige anamnese is niet alleen noodzakelijk voor het verdere diagnostisch
plan, maar ook voor de verdere therapie en de evaluatie van de ingestelde therapie.
Vragen die gesteld kunnen worden zijn:
* Wanneer, op welke leeftijd, werd de eerste aanval gezien?
* Hoe zag de eerste aanval eruit? Is dit verschillend met de aanvallen die hierna
gezien werden? Hoe zien deze aanvallen eruit?
* Hoe lang duurt een aanval gemiddeld?
* Kan de eigenaar de aanval zien aankomen?
* Hoe lang duurt het voordat de patiënt weer 'normaal' is?
* Wanneer treden de aanvallen op? Tijdstip van de dag? In rust of juist na activiteit?
Is er een relatie tot activiteit, eten en/of de loopsheid?
* Hoe is de patiënt tussen de aanvallen door?
* Hoe lang is de periode tussen de aanvallen? Is dit in de loop van de tijd
constant of juist veranderd?
Klinisch onderzoek
Het klinisch onderzoek zal bij een patiënt met primaire epilepsie dan wel
ware of echte epilepsie gèèn afwijkingen van het normaalbeeld
opleveren. Worden er wel afwijkingen gevonden dan worden deze gebruikt voor
nader onderzoek.
Voortgezet onderzoek
Onderzoek wat uitgevoerd kan worden in de praktijk:
* Bloedonderzoek is met name voor de diagnostiek van metabole ziekten (reactieve
oorzaken!) onmisbaar. Nagenoeg alle bepalingen kunnen vanuit de praktijk plaats
vinden. Het bloed nodig voor de ammoniak (NH3) bepaling dient op ijs naar het
laboratorium vervoerd te worden.
Onderzoek wat bij voorkeur uitgevoerd wordt door een specialist:
* Een liquorpunctie voor onderzoek van de cerebrospinale vloeistof kan gebruikt
worden om afwijkingen aan te tonen. Een verhoogd eiwitgehalte kan passen bij
tumoren, ontstekingen en/of degeneratieve ziekten. Een verhoogd celgetal wijst
op ontstekingen.
* Echografie kan met name bij patiënten waarbij een open fontanel bestaat
of het pariëtale schedelblad nog dun is (jonge dieren) gebruikt worden
voor het aantonen van een hydrocephalus.
Onderzoek waarvoor verwijzing naar een specialist noodzakelijk is:
* Een electro encephalogram (EEG) kan gebruikt worden om afwijkingen aan te
tonen. In Nederland worden EEG’s alleen door de auteur van dit artikel
uitgevoerd.
* Cytologie van de CSF vloeistof kan bij tumoren die grenzen aan de ventrikelholtes
verdere aanwijzingen voor de oorzaak opleveren. Helaas is de voorspellende waarde
van een CSF onderzoek gering: geen afwijkingen vinden geeft nog geen uitsluitsel
over het wel of niet aanwezig zijn van een abnormaliteit.
* Een CT-scan of MRI-scan is van grote waarde voor het aantonen van ruimte innemende
processen dan wel het juist uitsluiten van ruimte innemende processen.
Reactieve epileptiforme aanvallen (RES): extracraniale oorzaken
a Hepatoencephalopathy
b Hypoglycemie
c Uremie
d Hypocalcemie
e Intoxicaties
f Overigen
Secundaire epileptiforme aanvallen (SES): Intracraniale oorzaken
- Progressieve oorzaken
a Stapelingsziekten
b Meningoencephalitis
-infectieus
-immuun gemedieerd / reticulocytosis
c Neoplasie
-primair
-secundair
d Overige
- Niet-progressieve oorzaken
a Hydrocephalus
b Trauma
c Hypoxie
d Meningoencephalitis
e Primaire epilepsie
f Overige
5. DIAGNOSTIEK VAN EPILEPTIFORME AANVALLEN
5.1. Wanneer starten met diagnostiek?
Een eerste (en mogelijk enkele) epileptiforme aanval zal zeer verontrustend
zijn. Wanneer men bij deze patiënt, na deze eerste aanval, geen afwijkingen
bij het klinisch onderzoek vindt, dan is een geruststellend woord op zijn plaats.
Het is namelijk nog niet nodig actie te ondernemen. Waarom niet?
1. Niet zelden blijft het bij een enkele aanval. Een uitgebreid voortgezet onderzoek
is dan niet nodig.
2. Het is niet mogelijk een behandeling in te stellen. Een van de meest belangrijke
criteria om het effect van de therapie te evalueren is de inter-ictale periode.
Er moet dus een korte periode zijn waarin de aanvallen niet behandeld zijn.
3. Het is slechts dan noodzakelijk een behandeling in te stellen wanneer de
inter-ictale periode te kort is. Wanneer de aanvallen een inter-ictale periode
van 12 of meer weken hebben, is het niet nodig een behandeling in te stellen.
De therapie is namelijk gericht op het verlengen van de inter-ictale periode
(en niet per sé op het voorkomen van aanvallen!). Een periode van ongeveer
12 weken of meer is in dit voorbeeld een zeer aanvaardbaar streven.
Na een eerste aanval, waarvan de patiënt goed opknapt en er geen afwijkingen
bij het klinisch onderzoek gevonden worden, kan men dus volstaan met een eerste
uitleg aan de eigenaar. Eventueel kan een klein bloedonderzoek gedaan worden.
Een behandeling wordt dus over het algemeen nu nog niet gestart.
De eigenaar kan geadviseerd worden te starten met een klein log- of dagboek
waarin dag en tijdstip van de eventueel later optredende aanvallen, en eventuele
bijzonderheden voorafgaand aan een aanval, genoteerd worden.
Noot: Wanneer er wel klinische afwijkingen bij een patiënt gevonden worden, is het dus wel noodzakelijk verder onderzoek en een gerichte behandeling op te starten.
Uitzondering: De aanvallen treden bij herhaling op.
Wanneer er meerdere aanvallen kort na elkaar (enkele dagen tot weken) optreden
dan is uitstel van de behandeling niet wenselijk en is het noodzakelijk nader
onderzoek op te starten. Dit onderzoek is in eerste instantie gericht op het
differentiëren tussen primaire dan wel secundaire of reactieve epilepsie.
5.2. De verschillende vormen van epilepsie.
Primaire of idiopathische epilepsie is, volgens de definitie, epilepsie waarvan
de oorzaak onbekend is. Alle andere ziekten waarbij epileptiforme aanvallen
bij herhaling voorkomen en de oorzaak bekend is, noemt men secundaire of reactieve
epilepsie18. Bij patiënten met secundaire of reactieve epilepsie is de
benadering in eerste instantie gericht op het verhelpen van de oorzaak. Bij
patiënten met primaire epilepsie is de benadering, daar men niets weet
van de oorzaak, met name therapeutisch.
Omdat het onmogelijk is om bij iedere patiënt met epileptiforme aanvallen
alle differentiaal diagnosen uit te werken wordt in het hierna volgende diagnostisch
algoritme gebruik gemaakt van deze eenvoudige richtlijnen. Centraal staan hierbij
de criteria welke gebruikt worden om primaire epilepsie te definiëren.
In dit hoofdstuk wordt in eerste instantie het begrip epilepsie puur diagnostisch
benaderd. In het hierna volgende hoofstuk wordt nader ingegaan op wat primaire
epilepsie exact is.
5.3. Wanneer noemen we het primaire epilepsie: de criteria.
1. In de regel zien we de eerste toeval(len) op een leeftijd tussen de 6 maanden
en 5 jaar. Toevallen die voor de leeftijd van 6 maanden of na de leeftijd van
5 jaar voorkomen hebben vaak een herkenbare oorzaak en de behandeling is in
eerste instantie gericht op het verhelpen van die oorzaak. Toch gaat deze regel
gaat niet altijd op! Recent onderzoek van o.m. Jaggy et al13,11 toonde aan dat
zelfs honden ouder dan 6 jaar nog steeds in deze groep kunnen vallen.
2. Meestal hebben de epileptiforme aanvallen de vorm van een klassieke gegeneraliseerde
aanval dan wel een partiële aanval. Als de aanval partieel start dan wordt
deze vaak tijdens de aanval gegeneraliseerd. Dit hoeft echter niet!
3. Tussen de aanvallen door, de zogenaamde inter-ictale periode, is de patiënt
gezond en worden er geen afwijkingen gezien.
4. Er is geen (duidelijke) relatie tussen het optreden van de epileptiforme
aanvallen en beweging en/of voeding. Soms treden de aanvallen wel op na een
(sterk) emotionele situatie (bijvoorbeeld na angstsituaties, extreme vrolijkheid,
bezoek aan de dierenarts, etc).
5. Tijdens het lichamelijk en neurologisch onderzoek worden er geen afwijkingen
van het normaalbeeld gevonden.
Diagnostisch algoritme voor epileptiforme aanvallen
Dit algoritme is ontworpen voor patiënten waarbij meerdere epileptiforme
aanvallen door de eigenaar/verzorgers zijn waargenomen met een bepaalde periode
(minimaal enkele dagen) tussen de aanvallen. Voor die patiënten waarbij
nog slecht een of enkele aanvallen in een zeer korte aaneengesloten periode
zijn opgetreden is dit algoritme minder geschikt. De benadering van dergelijke
patiënten is in eerste instantie afwachtend dan wel palliatief.

Toelichting:
1) Anamnese en/of klinisch onderzoek afwijkend?
Epileptiforme aanvallen veroorzaakt door extracraniale metabole afwijkingen
zoals hepatoencephalopathie, hypoglycemie, uremie, hypocalcemie en intoxicaties
hebben vaak een relatief karakteristieke anamnese en/of klinisch onderzoek.
Een hepatoencephalopathie zal zich doorgaans op of zeer jonge (< 1 jaar)
of
oudere leeftijd (> 6 jaar) presenteren. Op jonge leeftijd wordt de abnormaliteit
meestal veroorzaakt door een portocavale shunt of een portale hypoplasie. Bij
bepaalde rassen komt dit meer voor (Cairn terriër, Yorkshire terriër,
Ierse wolfshond, etc) waarbij de patiënt zich kan presenteren met groeiproblemen,
abnormaal gedrag tussen de aanvallen (sloom, afwezig, polyurie/polydipsie, speekselen,
cirkelen) en/of de aanvallen en het gedrag kunnen gerelateerd zijn aan de voeding.
Gericht bloedonderzoek (NH3 bepaling op ijs) kan uitsluitsel geven.
Ook op latere leeftijd kan deze abnormaliteit zich voordoen als gevolg van cirrose,
fibrose en/of een ernstige hepatitis. Naast hetgeen hierboven staat kan dan,
afhankelijk van de oorzaak, gewichtsverlies en/of ascites gezien worden. Gericht
bloedonderzoek (NH3, galzuren, alkalische phosphatase en ALAT) of ander aanvullend
onderzoek kan uitsluitsel geven.
Een hypoglycemie kan gezien worden bij zeer jonge puppies, bij honden waarbij
een extreem hoog verbruik van koolhydraten plaats vindt ('hunting dog hypoglycemic
syndrome') of bij patiënten met een insuline producerende pancreastumor.
In het laatste geval presenteert de patiënt zich vaak met verschijnselen
zoals vermageren ondanks toegenomen eetlust en polyurie/dipsie. De diagnose
kan in alle drie de ziektebeelden gesteld worden door een bij herhaling laag
bloedglucose gehalte.
Een uremie ten gevolge van een nephropathie kan zich bij bepaalde rassen aangeboren
presenteren. Vaker betreft het hier oudere patiënten met een reeds langer
bestaande ziektegeschiedenis ten gevolge van een chronische interstitiële
nephropathie. In de anamnese kunnen vermageren, braken, diarree en polyurie/dipsie
als symptomen genoemd worden. Gericht klinisch onderzoek en laboratorium onderzoek
(urine: laag soortelijk gewicht, afwijkend sediment en eiwitgehalte; bloedonderzoek:
hoog ureum en kreatinine gehalte) kan uitsluitsel geven.
Een hypocalcemie kan post partum optreden of als gevolg van een calcitonine
producerende tumor. Dit laatste wordt zeer zelden gezien. Meestal is dus de
anamnese typerend (teef/poes post partum) of het ziektebeeld op zich: rillen,
tonisch-clonische krampen zonder bewustzijnsverlies. Een laag plasma-Ca2+ is
bevestigend.
Patiënten met epileptiforme aanvallen ten gevolge van intoxicaties presenteren
zich meestal acuut. De anamnese of gericht onderzoek van de omgeving/patiënt
zal uitsluitsel moeten geven. Zonder concrete aanwijzingen is de diagnostiek
zeer moeilijk. Overigen oorzaken zijn ziektenbeelden zoals hyperlipoproteïnemie,
hyperkalemieen hypothyreoïdie. Vaak is de anamnese afwijkend (Addison:
korte ziektegeschiedenis, ataxie, spierzwakte, bradycardie, sloom, hypovolumie.
Hypothyreoïdie: vachtveranderingen, sloom, uitgesproken uitdrukkingsloos).
Uitsluitsel zal verkregen moeten worden door gericht aanvullend onderzoek (Na/K,
T4, totaal eiwit, eiwitspectrum, triglyceriden/cholesterol).
De intracraniale aandoeningen zoals stapelingsziekten, neoplasieën en meningoencephalitiden
kunnen een vrij progressief verloop en het ziektebeeld beperkt zich zelden tot
uitsluitend epileptiforme aanvallen. De infectieziekte hebben vaak een relatief
typische presentatie. Wanneer de anamnese en het klinisch onderzoek aanleiding
geven om te denken aan een infectieuze meningoencephalitis kan getracht worden
de aandoening middels agens isolatie en/of titerstijgingen aan te tonen. Vaak
karakteristieke presentatie hebben. Ze zijn meestal progressief en kunnen zich
op elk niveau van het centraal zenuwstelsel manifesteren. Zelden zal epilepsie
het enige symptoom zijn. Naast epileptiforme aanvallen, gedragsveranderingen
en bewustzijnsveranderingen kan onder meer een afwijkende locomotie gevonden
worden. Deze verschijnselen zijn ook waarneembaar tussen de aanvallen door.
Stapelingsziekten manifesteren zich meestal voor de leeftijd van een jaar waarbij
een scala van cerebrale symptomen gevonden kan worden. De ziekten worden slechts
zelden gezien en hun voorkomen is dan ook nog vaak rasgebonden. Daar het zeer
moeilijk is de ziekten bij het levende dier te diagnosticeren wordt de definitieve
diagnose van deze in principe progressieve ziekte, vaak pas na het overlijden
gesteld. Een meningoencephalitis kan van infectieuze oorsprong zijn (viraal:
bijv Distemper; bacterieel: bijv. Listeria spp.; protozoair: bijv. Babesia,
toxoplasmosis; mycosen) of een waarschijnlijk immuun gemedieerde oorsprong hebben.
Beide groepen van ziekten hebben een volstaat serumonderzoek, soms is uitgebreider
onderzoek van de cerebrospinale vloeistof nodig. De ziektegeschiedenis van een
meningoencephalitis kan ook zeer traag verlopen. Alhoewel ook hier geldt dat
epileptiforme aanvallen zelden het enige symptoom zijn, kan het zeer moeilijk
zijn andere symptomen te onderscheiden. Wanneer de abnormaliteit een restverschijnsel
is van een doorgemaakte (acute) infectieuze meningoencephalitis is het nagenoeg
onmogelijk de diagnose verder te bevestigen. De behandeling is dan noodgedwongen
symptomatisch. Een elektro-encefalogram (EEG) kan helpen een abnormaliteit vast
te stellen, echter de verdere waarde is wetenschappelijk niet onomstreden. De
immuun gemedieerde meningoencephalitis is beschreven onder de namen granulomateuze
meningoencephalitis en reticulocytosis. De exacte oorzaak is onbekend alhoewel
aan een virale oorsprong gedacht wordt. Een granulomateuze meningoencephalitis
presenteert zich min of meer als een ruimte innemend proces, reticulocytosis
is een meer diffuus voorkomende abnormaliteit. De afwijking kan in ieder hersendeel
gevonden worden en de symptomen kunnen zeer divers zijn. Alhoewel de abnormaliteit
bij alle rassen en alle leeftijden gevonden kan worden, lijkt er een voorkeur
voor oudere poedels te bestaan. De respons van sommige patiënten op corticosteroïden
was aanleiding om aan een immuun gemoduleerde oorsprong te denken.
Zowel de primaire als secundaire (metastasen en ingroei van buitenaf) neoplasieën
zijn progressief en hebben zelden epilepsie als enige symptoom. Neoplasieën
worden gezien vanaf de leeftijd van ongeveer 5 jaar met een hogere incidentie
op latere leeftijd. In het beginstadium van een intracraniale neoplasie kan
epilepsie soms het enige symptoom zijn. In de loop van enkele weken tot maanden
kunnen gedrags- en bewustzijnstoornissen en kopzenuw afwijkingen op gaan vallen.
De waarschijnlijkheidsdiagnose wordt vaak op basis van het ernstig progressieve
verloop gesteld. Voor de definitieve diagnose is een CT-scan of MRI-scan nodig.
Een hydrocephalus kan zich, naast epileptiforme aanvallen, presenteren met een
afwijkende anamnese en/of andere klinische symptomen. Een hydrocephalus is een
abnormale verwijding van de hersenventrikels en kan aangeboren en verkregen
voorkomen. Bij met name de brachycephale rassen en rassen met een zogenaamd
appelhoofdje wordt de aangeboren hydrocephalus relatief vaak gezien. De eerste
symptomen kunnen reeds in het nest opvallen; dommig zijn, verminderd bewustzijn,
abnormaal gedrag, dwangbewegingen zoals cirkelen en/of dringen, slecht kunnen
leren, een slechte visus, soms zelfs blind zijn, ongecoördineerde locomotie
tot aan epileptiforme aanvallen. Soms zijn de symptomen zeer subtiel en wordt
de diagnose pas op enige jaren leeftijd gesteld. Bij dieren met een open fontanel
of een dun pariëtaal schedelblad kan de diagnose gesteld worden met behulp
van echografie: een abnormale verwijding van de ventrikels. In alle andere gevallen
is een CT-scan of MRI-scan noodzakelijk. De verkregen hydrocephalus komt met
name op oudere leeftijd voor. Meestal is de onderliggende oorzaak een neoplasie,
minder vaak komt het voor ten gevolge van een ontsteking. Alhoewel alle symptomen,
zoals hierboven beschreven, kunnen voorkomen kan het zeer moeilijk zijn de typische
hersenverschijnselen te onderscheiden van wat men ook passend kan noemen bij
een ouder wordende patiënt. Daarnaast kan het ziekteverloop, afhankelijk
van de oorzaak, zeer traag verlopen. De diagnose wordt vermoed op basis van
de anamnese, het ziekteverloop en het klinisch onderzoek. Meestal betreft het
hier een patiënt ouder dan 5 jaar waarbij het opvalt dat hij/zij niet geheel
normaal is tussen de epileptiforme aanvallen door. Aanvullend onderzoek is een
CT-scan of MRI-scan. Epileptiforme aanvallen kunnen veroorzaakt worden door
een kortdurende hypoxische periode. Dit zal meestal rond de geboorte plaats
vinden. Zelden zullen epileptiforme aanvallen het enige symptoom zijn. Zonder
duidelijke aanknopingspunten in de anamnese is het zeer moeilijk deze diagnose
verder te bevestigen.
2) Is de patiënt jonger dan 6 maanden?
Wanneer de patiënt wel epileptiforme aanvallen heeft maar in de anamnese
en bij het klinisch onderzoek worden geen afwijkingen gevonden kunnen een reeks
van differentiaal diagnoses geparkeerd of uitgesloten worden. Vooralsnog wordt
de diagnose primaire epilepsie geparkeerd daar deze zich zelden presenteert
voor de leeftijd van 6 maanden. Een werkbare differentiaal diagnose voor een
patiënt jonger dan 6 maanden met geen verdere afwijkingen dan epileptiforme
aanvallen is voor wat betreft de extracraniale oorzaken: hepatoencephalopathie,
uremie en hypoglycemie (bij puppies < 10 weken) (zie eerder). Intracraniale
oorzaken zijn stapelingsziekten (zie eerder), hydrocephalus (zie eerder), trauma,
hypoxie (zie eerder) en in uitzonderingsgevallen een meningoencephalitis (zie
eerder). Trauma wordt genoemd als mogelijke oorzaak van epileptiforme aanvallen.
Het trauma kan maanden tot jaren voor de eerste aanval plaats hebben gevonden.
Het betreft hierbij meestal een vrij ernstig trauma. Wanneer de verdenking bestaat
dat trauma de oorzaak voor de aanvallen is, dan is de behandeling noodgedwongen
symptomatisch. Een electro encephalogram (EEG) kan helpen een abnormaliteit
vast te stellen.
3) Is de patiënt ouder dan 5 jaar?
Gelijk aan de patiënt jonger dan 6 maanden manifesteert primaire epilepsie
zich zelden na de leeftijd van 5 jaar. Wanneer de patiënt wel epileptiforme
aanvallen heeft, maar in de anamnese en bij het klinisch onderzoek worden geen
afwijkingen gevonden dan kan een reeks van differentiaal diagnoses geparkeerd
of uitgesloten worden. Een aantal extracraniale metabole oorzaken is mogelijk.
Het betreft hier hepatoencephalopathie, hypoglycemie, uremie, hypocalcemie,
intoxicaties en overigen ziekten zoals hypothyreoïdie en hyperlipoproteinemie
(zie voor allen eerder). De belangrijkste intracraniale oorzaken zijn een meningoencephalitis,
neoplasie, hydrocephalus, trauma en hypoxie (zie voor allen eerder).
4) Beeld van primaire epilepsie?
In het hoofdstuk 7 wordt hier uitgebreider op ingegaan.
6. HOE PRESENTEERT EPILEPSIE ZICH?
6.1 Drie vormen
In hoofdstuk 3 werd reeds gesproken van een epileptigeen focus. Dit is de plaats
waarvan uit een epileptiforme aanval ontstaat. Afhankelijk van de plaats waar
zo'n focus zich bevindt, kunnen de aanvallen zich al of niet vrij specifiek
manifesteren. Wanneer een focus zich bijvoorbeeld nabij de hersenstam gelokaliseerd
is en zich vervolgens verspreidt over de cortex (hersenschors) dan kan de aanval
zich presenteren met eerst bewustzijnsverlies (hersenstam) en vervolgens motorische
krampen van het gehele lichaam (somato-motorische cortex). Wanneer een dergelijk
focus zich bevindt in het pariëtale deel van de cortex, en zich niet verder
verspreidt, dan kan de aanval zich presenteren als een specifiek gedragsafwijking,
bijvoorbeeld achter de staart aanrennen of vliegenhappen. Tegenwoordig benaderen
we epileptiforme aanvallen dus vanuit de differentiaal diagnose.
Zoals beschreven in hoofdstuk 4 worden de aanvallen in 3 groepen verdeeld. De
primaire epileptiforme aanvallen (PES), de secundaire epileptiforme aanvallen
(SES) en de reactieve epileptiforme aanvallen (RES).
Zowel PES, RES als SES kunnen zich presenteren als een klassieke gegeneraliseerde
aanval, maar ook als een partiële aanval. Er zijn auteurs die stellen dat
bij de hond iedere
aanval partieel begint.2 Voor ons betekent het dat simpelweg de verschijningsvorm
onvoldoende grond geeft om te stellen dat debewuste vorm van epilepsie wel of
niet de
erfelijke vorm van epilepsie is.
Gegeneraliseerde epilepsie
Een epileptiforme aanval bestaat uit vier stadia.
1) De prodrome wordt gekarakteriseerd door een bewustzijnsverandering. Dit kan
dagen tot uren voor het ictus plaats vinden. De eigenaar zal dit stadium beschrijven
als een periode waarin rusteloosheid, overdreven aandacht of een andere gedragsverandering
plaats vindt.
2) Het aura vindt seconden tot minuten voor de feitelijke ictus plaats. De eigenaar
kan dit stadium beschrijven als een periode waarin de hond vreemd kijkt (het
'wit' van de ogen zien, rollen van de ogen) of een kortdurend vreemd gedrag
vertoont (klappen met de kaken, zoeken naar de eigenaar).
3) De derde fase is het ictus. Dit is een periode van enkele minuten met tonische
(langdurige) en clonische (kortdurende) krampen. Meestal ligt de patiënt
of valt op zijn zijde en verliest zijn bewustzijn. Hierna treedt de tonische
krampfase in. De ledematen strekken zich en het hoofd wordt achterwaarts bewogen
(ophistotonus). Soms treedt een kortdurende ademstilstand op. Hierna treden
clonische krampen van de ledematen en ondermeer kaken op. Naast deze motorische
componenten kunnen ook viscerale componenten gezien worden: pupilverwijding,
urineren, defaeceren en speekselen. Soms wordt ook een vocale activiteit waargenomen.
4) De postictale fase kan seconden tot dagen duren. Soms schudt de patiënt
zich uit na de ictus en is weer geheel hersteld, echter vaker zal er een korte
of langere periode herkenbaar zijn van òf verminderd bewustzijn òf
slapen òf juist een periode van extreme rusteloosheid. De patiënt
kan dan langere tijd ronddwalen, gedesoriënteerd zijn, blind lijken en/of
zelfs tijdelijk geheugenverlies hebben. Dit type aanval wordt ook wel 'grand
mal' genoemd. Niet altijd presenteert een gegeneraliseerde aanval zich zo duidelijk.
Bij sommige patiënten kan het mogelijk zijn dat men gèèn
prodrome of een postictus kan onderscheiden. Bij weer andere patiënten
kan het ictus slechts bestaan uit bewustzijnsverlies, myoclonische of slechts
tonische of clonische krampen. Dergelijke aanvallen werden vroeger wel 'petit
mal' genoemd. Het meest praktische is het echter om een patiënt in te delen
in deze categorie als de aanval zich min of meer volgens deze lijnen presenteert
en geen verdere onderverdeling, zoals humaan gebruikelijk is, te maken. Zoals
hierboven beschreven betekent het optreden van een klassieke gegeneraliseerde
aanval niet per sé het aanwezig zijn van primaire epilepsie.
Partiële (gedeeltelijke of onvolledige) epileptiforme aanvallen
Deze beginnen in principe lokaal en presenteren zich ook als zodanig maar niet
zelden kan de aanval over gaan in een gegeneraliseerde aanval. Bij een patiënt
kunnen de aanvallen zowel partieel als gegeneraliseerd zijn. En zoals hierboven
geciteerd is het heel goed mogelijk dat alle epileptiforme aanvallen die we
zien bij de hond altijd partieel beginnen.2 Afhankelijk van de lokalisatie van
het epileptigene focus kan de aanval zich vrij typisch presenteren. Bekende
voorbeelden zijn de honden met bijvoorbeeld een aanval waarbij de hond even
wegzakt of bijvoorbeeld een dier met een aanval die zich beperkt tot delen van
het hoofd of de pootjes. De patiënt kan hierbij bij bewustzijn blijven.
In principe is er wel een motorische fase herkenbaar. Naar analogie bij de mens
spreekt men ook wel van simpele partiële aanvallen en complexe partiële
aanvallen.
6.2 Clustering en status epilepticus
Zowel clustering als de status epilepticus zijn geen andere vormen van epilepsie.
Het betreft hier een klassieke gegeneraliseerde epileptiforme aanval waarbij
echter de tijdsduur en/of presentatie afwijkend verloopt.
Clustering is het optreden van meerdere epileptiforme aanvallen binnen kortere
tijd (minuten tot uren) waarbij in principe een post-ictale fase herkenbaar
is. Clustering is een zowel voor de eigenaar frustrerende en voor de patiënt
zeer vermoeiende presentatie.
Status epilepticus is een presentatie waarbij meerdere aanvallen binnen kortere
tijd (minuten) (langdurig) optreden en waarbij de post-ictale fase afwezig is.
Een status epilepticus is in principe een levensbedreigende situatie waarbij
de eigenaar/dierenarts direct dient in te grijpen. Later wordt hier nader op
ingegaan.
Hoe vaak komt het voor? Primaire of idiopathische epilepsie komt regelmatig
voor bij alle hondenrassen en kruisingen. De incidentie van primaire epilepsie
wordt bij de hond op 0.5-0.6%13 tot 1%26 geschat. Doordat het sterk rasgebonden
voorkomt kan de incidentie per ras aanzienlijk variëren. Bij bepaalde populaties
kan het oplopen tot 17%.5 Door dit sterk rasgebonden voorkomen wordt dan ook
vermoed dat primaire epilepsie erfelijk is. Primaire epilepsie wordt in de regel
evenveel bij teven als reuen gezien12 hoewel er ook uitzonderingen voorkomen.14,32
Bij de teven kan het aantal toevallen gedurende de loopsheid toenemen.
Het voorkomen van secundaire epilepsie is onder meer geografisch bepaald en
is sterk afhankelijk van het voorkomen van de uiteindelijke oorzaak. Bij katten
zijn zowel primaire epilepsie als secundaire epilepsie, uiterst zelden voorkomende
ziekten.
De frequentie van de aanvallen.
Deze periode verschilt van patiënt tot patiënt. Tussen de eerste en
de tweede toeval kunnen maanden voorbij gaan. De periode tussen de toevallen
wordt in de loop van de tijd korter en blijft dan min of meer constant (2 tot
6 weken). Dit is een zeer globaal gemiddelde, want bij sommige honden kan het
aantal toevallen tot enkele per jaar beperkt blijven en bij anderen kunnen series
toevallen om de week plaatsvinden.
Het optreden van aanvallen
Bij epilepsie is er meestal geen bepaalde aanleiding voor de toevallen aan te
wijzen en komen ze onverwacht. Opvallend is dat het vrijwel altijd binnenshuis
gebeurt in de vertrouwde omgeving. Ze treden meestal op wanneer de patiënt
volkomen rustig is, bijvoorbeeld laat in de avond, gedurende de nacht of vroeg
in de ochtend. Bij primaire epilepsie is er geen (duidelijke) relatie tussen
het optreden van de epileptiforme aanvallen en beweging en/of voeding. Soms
treden de aanvallen op na een (sterk) emotionele situatie (bijvoorbeeld na angstsituaties,
extreme vrolijkheid, bezoek aan de dierenarts, etc). Op deze regels komen uiteraard
uitzonderings gevallen voor. Deze worden relatief vaker bij secundaire en reactieve
epilepsie gezien.
7. ANTI-EPILEPTICA
Bij de hond komen slechts vier middelen (anti-epileptica) in aanmerking voor
de langdurige behandeling van epilepsie: phenobarbital, primidone (Mysoline®),
Slow Release-Phenytoine (Epitard®-700) en het zout Kalium Bromide.
7.1. Phenobarbital
Phenobarbital, een barbituraat, is een van de oudste anti-epileptica en wordt
reeds vele jaren bij de hond als anti-epilepticum gebruikt. Over het algemeen
is de effectiviteit van phenobarbital goed te noemen. Ruim 70% van de honden
reageert goed op phenobarbital. Helaas heeft phenobarbital bijwerkingen. De
eerste dagen van de behandeling kan het sufheid en slaperigheid veroorzaken.
Mocht dit na een paar dagen niet overgaan, dan dient de dosering aangepast te
worden. Verdere bijwerkingen zijn veel drinken en plassen en een toename van
de eetlust. Bij een aantal patiënten treedt permanente sufheid op en/of
verandering van de karakterstructuur. Deze bijwerkingen van phenobarbital zijn
in meer of mindere mate onvermijdelijk.
De startdosering van phenobarbital is 2 tot 5 mg per kilogram lichaamsgewicht
te verdelen in twee tot drie maal daags. Op geleide van de effectiviteit en/of
bloedspiegel (de therapeutische bloedspiegel bevindt zich tussen 20 en 40 mg/l)
kan de dosering aangepast worden. Het middel wordt bij voorkeur in het begin
in ieder geval twee maal daags gegeven. Na verloop van tijd kan het eenmaal
daags gegeven worden.
7.2. Primidone
Primidone wordt in het lichaam omgezet in phenobarbital en phenylethylmalonzuur.
Deze laatste stof kan bij langer gebruik ernstige leverproblemen veroorzaken.
Daarnaast worden alle bijwerkingen die bij phenobarbital gezien worden ook gezien
bij primidone en daarom heeft primidone ten opzichte van phenobarbital geen
voordelen. De startdosering van primidone is 20 tot 50 mg per kilogram lichaamsgewicht
te verdelen in tweemaal daags. Op geleide van de effectiviteit en/of de phenobarbital
bloedspiegel kan de dosering aangepast worden. Het gebruik van dit middel wordt
door de auteur niet aanbevolen. Het heeft geen toegevoegde waarde.
7.3. Slow Release Fenytoine: Epitard®
SR-fenytoine of hierna te noemen Epitard is een product van Nederlandse bodem.
Het is ontwikkeld door de faculteit der Diergeneeskunde (Universiteit Utrecht)
en later overgenomen door een Nederlands Pharmaceutisch bedrijf (ACE). De werkzame
stof van Epitard is phenytoine ook wel bekend onder de naam diphantoine. Het
is een van de oudere anti-epileptica die voor humaan gebruik ontwikkeld was.
De stof is echter als zodanig ongeschikt als anti-epilepticum voor de hond daar
na enkele dagen het metabolisme van de hond in staat is de stof binnen enkele
uren te klaren. Om dan effectieve bloedspiegels te bereiken zou de stof vele
malen daags gedoseerd moeten worden. Om die reden is methylhydroxypropylcellulose
als dragermatrix gebruikt. Hierdoor komt de stof in het maagdarmkanaal vertraagd
vrij en kan wel een effectieve 24-uurs kinitiek worden bereikt. Het grote voordeel
van Epitard is dat het ten opzichte van phenobarbital minder bijwerkingen heeft.
Een groot nadeel is de prijs. Het is wezenlijk duurder. Het middel is gecontra-ïndiceerd
(niet toegestaan in verband met de toxiciteit) bij de kat!
Qua effectiviteit lopen de twee producten phenobarbital en epitard niet ver
uiteen. Een voorzichtige schatting is dat ze bij onbehandelde patiënten
even effectief zijn. Patiënten die niet reageren worden wel eens overgezet
op Epitard. Een bruikbaar en mogelijk beter alternatief voor epitard is het
zout Kalium Bromide.
De dosis van epitard is als start (het moet laag gestart worden) 25 mg/kg twee
maal daags. Daarna wordt het bij voorkeur verhoogd tot 50 tot 75 mg/kg twee
maal daags. Dan kan op geleide van het klinisch effect, of de bloedspiegel,
de dosis verhoogd of verlaagd worden. De tabletten worden bijvoorkeur met iets
voer ingegeven en niet gebroken. Fenytoïne is een vrij bittere stof en
als de gecoate tabletten gebroken worden kan vanuit dit breukvlak de stof vrijkomen.
Dit kan tabletten aversie opwekken. Epitard heeft net als phenobarbital wel
bijwerkingen (hoewel dit betrekkelijk is). Daar waar bij phenobarbital gedragsveranderingen
en toename van de eetlust en waterconsumptie voorop liggen, is dit bij epitard
met name sedatie, ataxie en afname van de eetlust tot anorexie.
7.4. Kalium Bromide:
Het zout Kaliumbromide is waarschijnlijk het oudste anti-epilepticum. Het werd
voor het eerst gebruikt in 1857. Ten opzichte van de bestaande anti-epileptica
heeft KBr als belangrijkste nadeel dat het een bitter zout is wat of opgelost
moet worden in een suikerdrank of speciaal gecapsuleerd moet worden. Bij een
aantal patiënten kan het de bijwerkingen van phenobarbital verergeren.
Het kan zowel als monotherapie als combinatietherapie gegeven worden. Er is
uitgebreide ervaring met de combinatie phenobarbital. De ervaring met de combinatie
epitard is nog fragmentarisch maar is wel meerdere malen reeds met succes toegepast.
De start dosis in combinatie met phenobarbital is 25 mg/kg een maal daags. Na
6 weken wordt meestal de bloedspiegel van beide producten bepaald. Wanneer het
als monotherapie gebruik wordt start men vaak op een dosis van 40 mg/kg een
tot twee maal daags. KBr moet door de voorschrijver gecapsuleerd worden. Ideaal
zijn capsules van 250 mg. Uitgaande van de grondstofprijs is zelfs met capsuleren
KBr het goedkoopste middel. Inmiddels is de ervaring met het middel weer groeiende.
Recent zijn er diverse artikelen over het product verschenen.
Doordat de halfwaardetijd zo lang is, duurt het lang voordat een effectieve
spiegel is bereikt. Anderzijds is daarmee het middel, eenmaal opgenomen, lang
in het lichaam aanwezig. KBr is net als alle andere middelen toxisch. Uitgaande
van een werkzame spiegel van 800 tot 2000 mg/l is het streven de spiegel ergens
daartussen te krijgen. Boven 2000 mg/l zou het toxisch kunnen zijn. Bromisme
kan evenwel makkelijk bestreden worden. Puur het geven van keukenzout (NaCl)
verdrift het Bromide uit het lichaam. Handig maar ook lastig. Een patient op
KBr moet dan ook een standaard dieet krijgen en het extra geven van zoute producten
moet vermeden worden.
Welk middel te kiezen?
Alle voors en tegens afwegend heeft phenobarbital voor de auteur van dit boekje
een onbetwiste nummer 1 plaats. Indien de effectiviteit te wensen over laat
kan een switch naar epitard geprobeerd worden. Echter dit moet nooit te snel
gedaan worden. Een switch drie weken na het starten met phenobarbital geeft
alleen maar aan dat de gebruiker te weinig kennis van zaken heeft. Zo duurt
het voor phenobarbital 2 tot 3 weken voordat een steady state bereikt wordt.
Het trekken van een dergelijke conclusie is dan wellicht niet juist. Veelal
kan de effectiviteit pas na maanden therapie beoordeeld worden waarbij soms
meerdere dosis correcties hebben plaats gevonden gecombineerd met het bepalen
van de bloedspiegel. Indien er een werkelijke therapieresistentie optreedt geeft
de auteur de voorkeur aan de combinatie KBr-Phenobarbital. In een groot deel
van de gevallen wordt dan alsnog een redelijk succes geboekt.
7.5.Diazepam
Diazepam (Valium®, Stesolid®) heeft een speciale toepassing bij epilepsie.
Door zijn korte werking kan het bij de hond niet gebruikt worden voor de behandeling
van epilepsie maar doordat het middel zeer snel en effectief een aanval kan
onderdrukken, wordt het gebruikt om toevallen die te lang aanhouden of in series
optreden (clustering) te onderbreken. Wanneer een patiënt aangeboden wordt
met clustering of in een status epilepticus wordt het bij voorkeur intraveneus,
op effect, toegediend. Een alternatief is de rectale toediening met behulp van
rectioles. Dit laatste kan ook door de eigenaar uitgevoerd worden. Valium is
als extra therapie bij clustering en/of een status epilepticus onmisbaar. Het
is verkrijgbaar in tabletten (Valium® 2, 5 en 10 mg), als injectievloeistof
en als rectioles (Stesolid®). Het middels is vooralsnog niet geregistreerd
als diergeneesmiddel. De startdosering is 0.25 tot 5 mg/kg intraveneus op effect
te administreren.
7.6. Overig
Voor de volledigheid worden een aantal andere anti-epileptica genoemd: valproïnezuur
(Depaki-ne®), carbamazepine (Tegretol®), parametha-dione, diphenylhydantoïne
(Diphantoine®, Fenytoine®). Geen van deze middelen is echter effectief
gebleken bij de hond. De opname en uitscheiding van deze stoffen verloopt zo
snel dat ze niet bruikbaar zijn voor de behandeling van epilepsie bij de hond.
8. DE BEHANDELING
8.1. Wanneer starten we met de behandeling?
Wanneer de eigenaar voor het eerst geconfronteerd wordt met een epileptiforme
aanval dan zal dit voor hem/haar zeer verontrustend zijn. Toch is het niet nodig,
als er bij het klinisch onderzoek geen afwijkingen gevonden worden en de patiënt
goed is hersteld, uitgebreide voorgezette diagnostiek in te zetten. Eveneens
is het niet nodig, zelfs ongewenst, om direct een behandeling in te stellen.
De redenen hiervoor zijn aangestipt in hoofdstuk 5. Kort samen gevat zijn deze:
1. Niet zelden blijft het bij een enkele aanval.
2. Het is niet mogelijk een behandeling in te stellen. Een van de meest belangrijke
criteria om het effect van de therapie te evalueren is de inter-ictale periode.
Hoe frustrerend dit ook kan zijn voor een eigenaar, een behandeling is dan ook
nog niet mogelijk. Wanneer bijvoorbeeld de inter-ictale periode bij deze patiënt
zonder behandeling 4 weken zou zijn geweest dan kan moet het effect van de behandeling
op zijn minst een verlenging van deze periode sorteren. Om dit te evalueren
moet men de inter-ictale periode van enkele onbehandelde aanvallen kennen.
3.Het is slechts dan noodzakelijk een behandeling in te stellen wanneer de inter-ictale
periode te kort is. Wanneer de aanvallen een inter-ictale periode van 12 of
meer weken kennen, dan is het niet nodig een behandeling in te stellen. De therapie
is namelijk gericht op het verlengen van de inter-ictale periode (en niet het
voorkomen van aanvallen!) en een periode van ongeveer 12 weken of meer is een
zeer aanvaardbaar streven. Noot: Wanneer klinische afwijkingen bij een patiënt
gevonden worden dan is het wel noodzakelijk verder onderzoek dan wel een gerichte
behandeling op te starten.
Uitzonderingen
Er bestaan een aantal uitzonderingen op deze regel.
1. Wanneer er niet een maar meerdere aanvallen achter elkaar plaats vinden,
de zogenaamde clustering, dan is het wel direct noodzakelijk een behandeling
in te stellen. Uitstel van de behandeling kan anders schadelijk zijn voor de
patiënt.
2. Wanneer de inter-ictale periode al direct zeer kort is, slechts enkele dagen
tot weken dan kan direct met de behandeling gestart worden.
De voorlichting aan de eigenaar na de eerste aanval
Als na de eerste aanval, de patiënt goed is opgeknapt en er geen afwijkingen
bij het klinisch onderzoek gevonden worden, kan men dus volstaan met een eerste
uitleg aan de eigenaar over wat epilepsie is en wat men kan verwachten. Geadviseerd
kan worden te starten met het bijhouden van een logboek waarin dag en tijdstip
van de eventueel later optredende aanvallen, en eventuele bijzonderheden voorafgaand
aan een aanval, genoteerd worden.
8.2. Doel van een behandeling.
Bij de voorlichting aan de eigenaar is het zeer belangrijk hem/haar duidelijk
te maken dat epilepsie een ziekte is die nooit of slechts uiterst zelden zal
genezen. Geen enkele behandeling met welk middel dan ook kan de aanvallen genezen
dan wel voorkomen. Bij het instellen van een behandeling is het belangrijk aan
de eigenaar duidelijk te maken dat we in eerste instantie streven naar:
1. Het verlengen van de inter-ictale periodes. Het doel is dus niet zozeer de
aanvallen te voorkomen, maar wel de perioden tussen de aanvallen door zo sterk
mogelijk te verlengen.
2. Het milder maken van de ictus. Hierbij is dus het doel de tijdsduur van de
ictus te verkorten en de intensiteit van de ictus milder te maken.
3. Het milder maken van de post-ictale periode. Bij een aantal patiënten
wordt de post-ictale fase gekenmerkt door langere tijd ronddwalen, gedesoriënteerd
zijn, blind lijken en/of tijdelijk geheugenverlies hebben. Gebleken is dat juist
deze post-ictale fase door veel eigenaren als zeer vervelend ervaren wordt.
De behandeling dient zich dan juist bij deze patiënten te richten op het
milder maken en verkorten van de post-ictale fase.
4. Het optreden van een eventuele clustering / status epilepticus zo veel mogelijk
te voorkomen. Het vooraf goed uitleggen van wat het na te streven doel is voorkomt
grote teleurstellingen.
8.3.Hoe beoordeel je het effect van een behandeling? Drie stappen plan.
Eerste stap: het dagboek
Na de eerste aanval kan de eigenaar het beste geadviseerd worden een dagboek
bij te gaan houden. Met behulp van de informatie vastgelegd in het dagboek kan
de effectiviteit van de therapie het beste beoordeeld worden. Wat dient onder
andere vastgelegd te worden?
1. De datum en het tijdstip waarop een aanval optreedt. Indien meerdere aanvallen
op een dag optreden: ook het aantal aanvallen wat gezien werd.
2. De intensiteit van de aanval(len) van de aanvallen.
3. Bijzonderheden voorafgaand aan een aanval. Dit kunnen gedragingen zijn die
de eigenaar ziet: onrustig zijn etc. Het kunnen ook gebeurtenissen zijn die
buiten het gewone patroon vallen: bijvoorbeeld een autorit naar de dierenarts,
etc.
4. De gegeven medicatie.
Tweede stap: starten van de medicatie
In principe geeft deze auteur de voorkeur aan phenobarbital als eerste stap.
Gestart wordt met een dosis van 2 tot 4 mg/kg afhankelijk van presentatie, ras
etc.
Derde stap: de beoordeling van het effect & aanpassen van de dosering.
Het effect van de behandeling moet beoordeeld worden met behulp van een aantal
objectieve kenmerken. Deze zijn:
1. Inter-ictale periode.
2. Intensiteit van de aanvallen.
3.Intensiteit van de post-ictale fase.
4.Optreden van clustering.
8.4. Controle met behulp van de bloedspiegel
Wanneer het aantal aanvallen te hoog is, ondanks diverse aanpassingen van de
medicatie is het zinvol een bloedspiegel te laten bepalen. Serum afgenomen rond
het tijdstip van medicatie geeft dan de laagste waarde weer hetgeen een indruk
geeft van de laagste waarde die dus nog effectief moet zijn.

Indien het aantal aanvallen ondanks medicatie toch nog te hoog is, zijn er een
aantal mogelijkheden:
* De bereikte bloedspiegel van phenobarbital is al hoger dan de bovenste referentiewaarde.
Het gekozen middel is dus ook bij hoge bloedspiegels onvoldoende werkzaam. Het
is dan noodzakelijk om een andere medicatie te kiezen of de dosering te verlagen
en het middel eventueel te combineren met een ander middel.
* Ondanks een optimale gift blijkt de bereikte bloedspiegel nog steeds te laag
te zijn. Dit kan berusten op individuele verschillen tussen patiënten (opname
vanuit het maag-darmkanaal, verschillen in stofwisseling, etc) maar ook het
middel zelf. Bij deze patiënten dient men de dosering te verhogen en het
effect na 4 tot 6 weken te evalueren.
9. CLUSTERING & STATUS EPILEPTICUS
9.1. Clustering.
Clustering is het optreden van meerdere epileptiforme aanvallen binnen kortere
tijd (minuten tot uren) waarbij in principe een post-ictale fase herkenbaar
is.
Het kan zich voordoen na het abrupt stoppen of vergeten van de medicatie maar
vaker is het individu gebonden. Bij sommige honden komt het nooit voor, bij
andere honden is het typisch voor de patiënt.
Wanneer het bekend is dat een hond clustert dan is het eerste advies, wanneer
de voorbode van een aanval zich voordoet, tijdelijk de dosering met 25 tot 50%
te verhogen. Dit kan men dan voortzetten tot enkele dagen na deze voorbode.
Wanneer de hond reeds een aanval heeft gehad dan zal het tijdelijk verhogen
van de medicatie mogelijk te laat zijn. Combinatie van de medicatie met valium
tabletten, rectioles en of injecties phenobarbital kunnen dan een uitkomst bieden.
De dosering is afhankelijk van het effect en het gewicht van de patiënt.
Het effect van de valiumtabletten houdt enige uren aan en meerdere malen daags
doseren is dan noodzakelijk. In principe zijn dit zaken die min of meer ‘tailor
made’ in overleg met de behandelend specialist opgebouwd worden. Afhankelijk
van de presentatie van de patiënt en de mogelijkheden van de eigenaar is
een bezoek aan de dierenarts en/of specialist noodzakelijk.
9.2. Status epilepticus.
Een status epilepticus is een presentatie waarbij meerdere aanvallen binnen
kortere tijd (minuten) langdurig optreden en waarbij de post-ictale fase afwezig
is. Een status epilepticus is in principe een levensbedreigende situatie waarbij
de eigenaar/dierenarts direct dient in te grijpen.
Ook deze kan zich voordoen na het abrupt stoppen of vergeten van de medicatie
maar vaker is het individu gebonden.
Wanneer het bekend is dat een hond dergelijke aanvallen krijgt dan is ook hier
het eerste advies, wanneer de voorbode van een aanval zich voordoet, tijdelijk
de dosering met 25 tot 50% te verhogen. Dit kan men dan voortzetten tot enkele
dagen na deze voorbode. Wanneer de hond echter een aanval krijgt dan is het
van belang dat de eigenaar weet wat hij wel en niet moet doen. Immers alhoewel
interventie door de dierenarts belangrijk is, is uit Amerikaans onderzoek (ref)
gebleken dat een eerste thuisbehandeling niet alleen het aantal aanvallen reduceert,
maar ook de intensiteit van de aanvallen vermindert. Het direct toedienen van
stesolid® rectioles of valium intraveneus op effect (!) kan levensreddend
zijn. Direct na een dergelijke aanval kan het noodzakelijk zijn tijdelijk de
medicatie te verhogen en/of te combineren met valium tabletten en/of rectioles.
De dosering is afhankelijk van het effect en het gewicht van de patiënt.
Het effect van de valiumtabletten houdt enige uren aan en meerdere malen daags
doseren is dan noodzakelijk. Afhankelijk van de presentatie van de patiënt
en de mogelijkheden van de eigenaar is een bezoek aan de dierenarts noodzakelijk.
10. PROBLEMEN EN VEEL GESTELDE VRAGEN
1) De hond reageert niet op de therapie
Kort samengevat zijn er een aantal mogelijkheden:
- De dosering van de medicatie is te laag ingesteld. Wanneer de dosering per
dag nog steeds lager is dan de startdosis is het eerste advies de dosering te
verhogen. Wanneer meer gegeven wordt dan de startdosis is een controle van de
bloedspiegel adviseerbaar.
- De medicatie werkt niet. Wanneer het aantal aanvallen ondanks een correcte
bloedspiegel te hoog is, kan een mogelijk andere medicatie of een combinatie
met andere medicijnen effect bieden. Helaas is het effect niet altijd voorspelbaar
en is het sterk individu gebonden.
- De diagnose is incorrect. Mogelijk betreft het hier toch een progressieve
vorm van epilepsie.
2) De hond was correct ingesteld maar de laatste tijd neemt de frequentie van
de aanvallen weer toe.
Zowel phenobarbital als epitard wordt door de lever gemetaboliseerd en uitgescheiden.
Wanneer anti-epileptica langere tijd achter elkaar gegeven worden, kan een sterkere
lever enzym inductie plaats vinden, waardoor het middel sneller uit het lichaam
verwijderd wordt. Het verhogen van de dosering al of niet gecombineerd met een
bloedspiegel bepaling rond het ingeven van de medicijnen kan uitkomst bieden.
3) De hond vertoont sterke bijwerkingen op de medicatie
Mogelijke bijwerkingen welke direct kunnen opvallen zijn een gebrek aan eetlust,
braken, diarree, evenwichtsstoornissen en spiertrillin-gen. In de meeste gevallen
zal voorzichtige verlaging (niet te drastisch in verband met verhoogde kans
op toename van toevallen) van de dosering gevolgd worden door een afname of
verdwijnen van de bijwerkingen. Wanneer in een later stadium de dosering alsnog
verhoogt dient te worden, dan blijven deze bijwerkingen in de regel weg. Na
een bijzondere situatie of tijdens een loopsheid nemen de aanvallen toe. Wanneer
de frequentie van aanvallen gedurende de loopsheid toeneemt kan sterilisatie
een uitkomst bieden. Wanneer de aanvallen zich vermeerderen nadat zich in huis
of elders iets bijzonders heeft voorgedaan dan is het vermijden van dergelijke
situaties adviseerbaar. Niet altijd is het effect voorspelbaar.
4) Wat is de kans op leverschade. Phenobarbital, mysoline (primodone) en epitard
zijn stoffen die net zoals alle andere medicijnen door de lever gemetaboliseerd
dient te worden voordat het uitgescheiden kan worden. Bij iedere behandeling
met anti-epileptica, ongeacht welke, kan een hepatitis optreden. Bekend is dat
dit risico bij primidone groter is dan bij phenobarbital. Een belangrijke reden
om primodone NIET te gebruiken. Om de kans op leverschade te minimaliseren is
het verstandig bij patiënten die reeds langere tijd op de medicatie staan
of een hoge dosis krijgen, de leverenzymen te bepalen. Op geleide van de leverenzymwaarden
kan eventueel de dosering aangepast worden.
5) De hond is drachtig.
De meeste anti-epileptica zijn niet toegestaan bij drachtige patiënten.
6) De hond krijgt reeds andere medicijnen of dient andere medicijnen erbij te
krijgen.
Anti-epileptica zijn stoffen welke deels aan bloedeiwitten getransporteerd wordt
en deels als vrije stof in het plasma aanwezig is. Wanneer andere medicaties
voorgeschreven dienen te worden, kan beïnvloeding plaats vinden. Stoffen
die een sterke eiwitbinding hebben zoals ACE-remmers, NSAID's en corticosteroïden
kunnen leiden tot verhoging van de ongebonden fractie van de totale fenytoïne
bloedconcentratie. Een tijdelijke verlaging van de medicatie, op effect, kan
dan noodzakelijk zijn. Andere stoffen waarbij interacties kunnen optreden en
die kunnen leiden tot een tijdelijke verhoging van de diphantoine concentraties
zijn onder meer cimetidine en chlooramfenicol.
7) Operaties
Wanneer een operatie noodzakelijk is dan is het van belang de dosering van de
medicatie niet te wijzigen. Echter een aantal anesthetica kunnen bij patiënten
met epilepsie de aanvallen forceren. Zie hiervoor de bijsluiter van de desbetreffende
middelen. \
8) Wat moet de eigenaar doen tijdens een aanval?
Kort samengevat is het antwoord op deze vraag: zo weinig mogelijk! Een aanval
die begonnen is kan de eigenaar, zonder medicijnen, niet stoppen. Het is belangrijk
dat hij/zij rustig blijft en niet in paniek raakt. Alhoewel sommige neurologen
de indruk hebben dat kalm vasthouden en praten de duur van de aanval kan beïnvloeden
kan dit gevaarlijk zijn. Tijdens de aanval maakt de hond volkomen willekeurige
bewegingen waarvan het dier zich niet bewust is. Als de hond met de kaken klappert
en de eigenaar doet een poging om de kop vast te houden, kan makkelijk een bijtwond
opgelopen worden. Het ingeven van tabletten tijdens een aanval is gevaarlijk
en heeft bovendien geen enkele zin.
9) Komt bij de hond een tongbeet voor?
Een tongbeet, zoals bekend bij de mens zal zelden of nooit bij de hond voorkomen.
11. BELANGRIJKE INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
Een aantal punten die belangrijk zijn tijdens het opstarten van de behandeling
en/of tijdens de behandeling zijn:
- Plotselinge veranderingen in de medicatie (stoppen, vergeten, wijziging van
de dosering of wisseling van soort medicijn) kunnen het ontstaan van toevallen
in de hand werken.
- Het kan enige tijd duren voordat een optimale dosering tot stand is gekomen.
Ook zijn er honden die onvoldoende of in het geheel niet reageren op de ingestelde
behandeling. Gelukkig is dat zelden het geval.
- Veranderingen in het dagelijks gebeuren kunnen het optreden van toevallen
in de hand werken.
- Een hond met epilepsie is gevoeliger voor bepaalde narcosemiddelen.
- Wanneer de eigenaar door een verhuizing en/of anderszins naar een andere dierenarts
gaat is het van belang dat hij/zij meldt dat zijn hond lijdt aan epilepsie.
- Wijziging van de dosering en/of medicatie dient altijd in overleg met de dierenarts
plaats te vinden.
12. ERFELIJKHEID VAN EPILEPSIE?
Over de erfelijkheid van epilepsie is al veel geschreven. Toch is het een illusie
om te denken dat het antwoord kant-en-klaar gegeven kan worden. Deels komt dit
doordat het een complexe ziekte is die niet 100% penetrant is (niet iedere lijder
hoeft te laten zien dat hij het heeft) en waarbij tal van externe invloeden
een rol spelen. Daar komt bij dat er verschillende verschijningsvormen zijn
die soms ten onrechte gebruikt zijn om het als ‘niet-erfelijk’ te
bestempelen. De vraag of het erfelijk is, is goed te beantwoorden aan de hand
van een publicatie van de Amerikaanse geneticus Patterson.28 Een Nederlandse
vertaling van zijn artikel is door de auteur van dit artikel in 1996 gepubliceerd
in het tijdschrift ‘De Hondenwereld’.21 Aan de hand van deze richtlijn
en wat nu bekend is over epilepsie bekijken we de vraag ‘hoe vererft epilepsie’.
1. De ziekte begint steeds op een zelfde leeftijd.
Bij het onderzoek van Patterson en de zijne kwam naar voren dat nagenoeg alle
erfelijke ziekten zich steeds weer manifesteren op een zelfde leeftijd. Mutatis
mutandis: wanneer we kijken naar de ziekte epilepsie dan zien we bij meerdere
rassen een bepaalde leeftijd wanneer de eerste aanval gezien wordt. Een ruwe
regel is dat het dus tussen 6 maanden en 5 jaar moet beginnen. Dat dit niet
altijd zo is weten we inmiddels ook. Bij de Engelse Springer spaniël lag
de gemiddelde leeftijd op 3 jaar maar toch had maar liefst 20% van alle honden
de eerste aanval pas tussen de leeftijd van 5 en 6 jaar.29 Maar liefst 47% van
deze populatie had de klassieke aanval en 53% een meer partiele presentatie.29
Per ras kan dit weer verschillen. Bij de Golden retriever had 75% van de honden
binnen 1 à 3 jaar na de geboorte een klassieke gegeneraliseerde aanval.32
Vergelijkbare resultaten zijn voor diverse andere rassen gepubliceerd.3,10-15
2. De ziekte heeft steeds weer hetzelfde klinisch beeld.
Erfelijke ziekten hebben de neiging zich steeds weer op een zelfde manier te
presenteren. Zo ook epilepsie. Toch zit er zoals eerder beschreven variatie
in. Het gevaarlijke van dit is dat een fokker die liever niet ziet dat zijn
ouderdieren uitgesloten worden voor de fokkerij, ‘het anders zijn van
een aanval’, dus ten onrechte kan gebruiken als bewijs van niet erfelijk
zijn. Echter mede dankzij het onderzoek van Berendt weten we dat dit waarschijnlijk
niet waar is2,4 en zoals hierboven aangegeven is dit fenomeen bij diverse rassen
al beschreven.3,10-15
3. De ziekte heeft steeds dezelfde patholoog anatomische afwijking.
Laat een klinisch beeld nogal eens ruimte voor interpretatie toe, (en dus foute
conclusies), an-ders is dit wanneer men gebruik kan maken van objectiever vormen
van diagnostiek. Bij de meeste erfelijke ziekten ziet men steeds een heel specifieke,
steeds weer dezelfde, patholoog-anatomische afwijking. Samen met de twee vorige
regels komt het begrip erfelijkheid nu wel tevoorschijn. Helaas vinden we bij
honden met epilepsie in principe geen hersenveranderingen. Dat maakt dat we
bij epilepsie deze regel niet kunnen gebruiken. Uiteraard komen er wel erfelijke
vormen van epilepsie voor waarbij dit wel zo is, maar dat zijn extreme verschijningsvormen.
Zo komt bij de teckel Lafora’s disease voor welke zich specifiek presenteert
en waarbij bij pathologie onderzoek diverse veranderingen in de hersenen gevonden
worden.8,16
4. De lijders zijn allemaal meer aan elkaar ver-want dan aan de rest van de
populatie (=ras).
Deze stelregel noemt men ook wel een familiair verband. Als een bepaalde ziekte
veel in een bepaalde familie voorkomt dan is dat suggestief voor erfelijkheid.
Dus puur het feit dat de ziekte binnen een specifieke familie met lijders meer
voorkomt dan bij de rest van het ras.22,17 De meeste publicaties (over de erfelijkheid
van epilepsie bij honden) komen niet veel verder dan dit onderzoek. Idealiter
kun je zelfs, als het stamboomonderzoek dat toelaat, terug gaan op een enkel
ouderpaar. In 1996 is een populatie Keeshonden met idiopathische epilepsie beschreven
welke enkelvoudig autosomaal lijkt te vererven. De stambomen van 15 nesten werden
vergeleken met die van 34 andere normale nesten. De stambomen van de lijders
bleken allemaal terug te voeren te zijn op een ouderpaar.9
Vergelijkbare resultaten zijn beschreven bij Boxers,23 Keeshonden,9 Labrador
retrievers,3,10,12, Golden retrievers,32 de Tervuerense herder,5-7,25 Springer
spaniëls,29 Viszla,30 en Berner sennenhonden.14 Bij diverse andere rassen
is dit inmiddels wel gesignaleerd maar nog niet gepubliceerd.
5. Bij inteelt neemt de frequentie (aantal lijders) toe.
Wat is inteelt? Een individu krijgt zowel erfelijke informatie van zijn vader
als van zijn moeder. Als de informatie van vader exact gelijk is aan die van
moeder dan spreekt men van ho-mozygoot. En dat is nu net wat inteelt is, het
meer homozygoot zijn. Uit veel onderzoek is het bekend dat bij inteelt de kans
op erfelijke ziekten toe gaat nemen.19 Dit kan dus goed gebruikt worden om erfelijkheid
verder aan te tonen. Wanneer de lijderdieren een duidelijk hogere inteeltcoëfficiënt
(drukt de mate van inteelt uit) hebben dan de rest (de gezonde dieren van diezelfde
populatie) dan suggereert dit weer erfelijkheid.22 Een lage inteeltcoëfficiënt
zegt overigens niet dat de ziekte niet erfelijk is! Immers het gaat om het ingeteeld
worden op een bepaalde genetische fout. En juist bij honden populaties komen
zeer ingewikkelde fokpatronen voor waarbij op een bepaald kenmerk wordt geselecteerd
en waarbij de fokker inteelt probeert te vermijden.
Dit fenomeen van vaker optreden bij een bepaalde mate van inteelt is bij een
aantal rassen beschreven. Bij de Labrador retriever zag men epilepsie specifiek
bij meer ingeteelde families. Op basis van het onderzoek stelde men overigens
dat deze vorm van epilepsie mogelijk recessief, polygeen vererft.12 Vergelijkbaar
werk is verricht voor de Berner sennen hond. Ook hier zagen ze het vaker bij
bepaalde (ingeteelde) families. En ook hier denkt men aan een recessieve polygene
vererving.14 Frappant is het werk wat verricht is bij de Tervuerense herder.
Maar liefst 17% van een Amerikaanse populatie van dit ras had epilepsie. De
betrokken onderzoekers hadden een model ontwikkeld aan de hand waarvan ze een
voorspelling konden doen op het voorkomen van epilepsie bij de nakomelingen.
Mede dankzij dit programma werd de incidentie fors terug gedrongen.5-7
Bij de Golden retriever, waarbij nog duidelijker een familiale presentatie aanwezig
is de mogelijke vererving weer juist autosomaal multifactorieel recessief.32
6. De ziekte is terug te voeren op een specifieke chromosomale afwijking.
Het bewijs is echt geleverd wanneer we het gen kunnen vinden. Immers iedere
erfelijke ziekte is het resultaat van een fout op het niveau van de erfelijke
informatie vastgelegd in de kernzuren (RNA/DNA). Als er ergens iets met dit
materiaal mis gaat dan kan een erfelijke ziekte ontstaan. Het zal dus voor zich
spreken dat als je de fout kunt vinden je daarmee de ziekte op zijn meest basale
niveau aantoont. Momenteel is veel van het onderzoek wat men in de genetica
verricht, gericht op deze kernzuren. Ook voor de ziekte epilepsie wordt dit
uitgevoerd maar tot op heden heeft het slechts bij een enkel ras iets opgeleverd.
Deels is dit vanwege de complexe structuur van de honden populaties.20 Bij de
teckel is zoals beschreven het gen gevonden voor Lafora’s disease.16 Bij
de Tervuerense herder heeft men, gebruikmakend van polymorfe microsatellieten
een genoom scan gemaakt van een aantal bekende families. Hoewel nog niet significant
vonden ze voor drie regio’s een link tussen de gebruikte markers en het
fenotype epilepsie.25
7. De ziekte is uiteindelijk terug te voeren op een heel specifieke afwijking
van één eiwit molecuul.
Als er ergens iets mis gaat met de reproductie van kernzuren (RNA of DNA) dan
kan een erfe-lijke ziekte ontstaan. Kernzuren zijn echter slechts de handleidingen
uit een boek waarin staat hoe je iets moet aanpakken. En een erfe-lijke ziekte
wordt dan ook alleen maar zichtbaar als de fout zich kan uiten doordat er ergens
een schakeltje kapot gaat. Zo een schakeltje is altijd een bepaald eiwit molecuul.
Dat kan bijvoorbeeld een niet werkend enzym of een receptor zijn. En juist zo
een simpel defect uit zich door een specifieke ziekte. Juist bij epilepsie is
dit logisch. Doordat er iets niet (of juist wel) gebeurd kan een epileptigeen
focus de overhand krijgen. Dit fenomeen is beschreven bij onder meer het Maltezer
leeuwtje. Bij deze honden komt een bepaalde vorm van malonzuur acidurie voor.
Ze presenteren zich ondermeer met epileptiforme aanvallen. In dit geval werd
dus het afwijkende product, waardoor de epilepsie ontstond, gevonden.24
Hoe moeten we nu verder?
Epilepsie zoals we dit bij de hond zien is naar alle waarschijnlijkheid bij
diverse rassen erfelijk. Het simpele feit dat het op een bepaalde leeftijd gezien
wordt, vaker bij bepaalde (ingeteelde) families maakt dat we deze conclusie
moeten trekken. Echter de vererving is niet zo simpel terug te voeren op een
gen. Dat bleek toevallig op te gaan voor een ras maar tot op heden komen woorden
zoals polygeen, multifactorieel te vaak voor, zodat we niet mogen verwachten
dat we met een simpele DNA test alles kunnen oplossen. Dat wil niet zeggen dat
we niets moeten of kunnen doen. Voor een groot deel kunnen we ons laten leiden
door de richtlijnen van prof. Patterson.27,28 Het beleid zal en moet strenger
zijn zodra we epilepsie binnen een bepaalde populatie vaker zien. Hoe verleidelijk
ook, simpel stellen dat de vorm iets anders is of dat de leeftijd niet passend
is, mag geen reden zijn om lijders en hun nakomelingen zomaar in te zetten voor
de fokkerij. Als epilepsie vaker bij een bepaald ras voorkomt en de erfelijkheid
is onduidelijk dan weegt het belang van het ras zwaarder dan dat van een individu.
Hoe mooi of fraai deze reu of teef ook mag zijn. Immers als een patiënt
goed is opgewerkt en er is niets afwijkends gevonden, wat blijft er dan nog
over aan differentiaal diagnoses (=andere mogelijke ziekteoorzaken)? Misschien
moeten we dus juist bij een ziekte als epilepsie (welke moeilijk te bewijzen
is) vaker simpelweg stellen dat het primaire epilepsie is. Hierbij prevaleert
dus het belang van het ras maar ook dat van een toekomstige eigenaar. Immers
hebt u wel eens een hond met epilepsie gehad?
Literatuurlijst
1. Berendt M Dam M Clinical presentations of naturally occurring canine seizures:
similarities to human seizures Epilepsy Behav. 2003;4:198-199.
2. Berendt M Gram L Epilepsy and seizure classification in 63 dogs: a reappraisal
of veterinary epilepsy terminology J.Vet.Intern.Med. 1999;13:14-20.
3. Berendt M, Gredal H, Pedersen LG et al. A cross-sectional study of epilepsy
in Danish Labrador Retrievers: prevalence and selected risk factors J.Vet.Intern.Med.
2002;16:262-268.
4. Berendt M, Hogenhaven H, Flagstad A et al. Electroencephalography in dogs
with epilepsy: similarities between human and canine findings Acta Neurol.Scand.
1999;99:276-283.
5. Famula TR Oberbauer AM Reducing the incidence of epileptic seizures in the
Belgian Tervuren through selection Prev.Vet.Med. 1998;33:251-259.
6. Famula TR Oberbauer AM Segregation analysis of epilepsy in the Belgian tervueren
dog Vet.Rec. 2000;147:218-221.
7. Famula TR, Oberbauer AM, Brown KN Heritability of epileptic seizures in the
Belgian tervueren J.Small Anim Pract. 1997;38:349-352.
8. Gredal H, Berendt M, Leifsson PS Progressive myoclonus epilepsy in a beagle
J.Small Anim Pract. 2003;44:511-514.
9. Hall SJ Wallace ME Canine epilepsy: a genetic counselling programme for keeshonds
Vet.Rec. 1996;138:358-360.
10. Heynold Y, Faissler D, Steffen F et al. Clinical, epidemiological and treatment
results of idiopathic epilepsy in 54 labrador retrievers: a long-term study
J.Small Anim Pract. 1997;38:7-14.
11. Jaggy A Bernardini M Idiopathic epilepsy in 125 dogs: a long-term study.
Clinical and electroencephalographic findings J.Small Anim Pract. 1998;39:23-29.
12. Jaggy A, Faissler D, Gaillard C et al. Genetic aspects of idiopathic epilepsy
in Labrador retrievers J.Small Anim Pract. 1998;39:275-280.
13. Jaggy A Heynold Y [Idiopathic epilepsy in the dog] Schweiz.Arch.Tierheilkd.
1996;138:523-531.
14. Kathmann I, Jaggy A, Busato A et al. Clinical and genetic investigations
of idiopathic epilepsy in the Bernese mountain dog J.Small Anim Pract. 1999;40:319-325.
15. Lengweiler C Jaggy A [Clinical, epidemiologic and therapeutic aspects of
idiopathic epilepsy in 25 golden retrievers: results of a long term study] Schweiz.Arch.Tierheilkd.
1999;141:231-238.
16. Lohi H, Young EJ, Fitzmaurice SN et al. Expanded repeat in canine epilepsy
Science 2005;307:81-
17. Mandigers PJ, van den Ingh, TSGAM, Spee B et al. Chronic hepatitis in Doberman
pinschers. A review Vet.Q. 2004;26:98-106.
18. Mandigers PJJ Epilepsie bij de hond en kat. Boekje uitgegeven in eigen beheer.
2003;2:1-42.
19. Mandigers PJJ Populatiegenetica en de rashondenfokkerij. Boekje uitgegeven
in eigen beheer. 1989-2004;2:1-8.
20. Mandigers PJJ Insights in the pathogenesis of Dobermann hepatitis. Proefschrift
UU. 2005;5:1-242.
21. Mandigers PJJ Wanneer is een ziekte eigenlijk erfelijk? De Hondenwereld
1996;51:555-556.
22. Mandigers PJJ, van Nes JJ, Knol BW et al. Hereditary necrotising myelopathy
in Kooiker dogs Res.Vet.Sci. 1993;54:118-123.
23. Nielen AL, Janss LL, Knol BW Heritability estimations for diseases, coat
color, body weight, and height in a birth cohort of Boxers Am.J.Vet.Res. 2001;62:1198-1206.
24. O'Brien DP, Barshop BA, Faunt KK et al. Malonic aciduria in Maltese dogs:
normal methylmalonic acid concentrations and malonyl-CoA decarboxylase activity
in fibroblasts J.Inherit.Metab Dis. 1999;22:883-890.
25. Oberbauer AM, Grossman DI, Irion DN et al. The genetics of epilepsy in the
belgian tervuren and sheepdog J.Hered. 2003;94:57-63.
26. Overduin LM Slow release Phenytoine in Canine Epilepsy. Proefschrift UU.
1994; 7-30
27. Patterson DF Comparative medical genetics: studies in domestic animals Birth
Defects Orig.Artic.Ser. 1974;10:263-277.
28. Patterson DF, Aguirre G, Fyfe JC et al. Is this a genetic disease? J.S.A.P.
1989;30:127-139.
29. Patterson EE, Armstrong PJ, O'Brien DP et al. Clinical description and mode
of inheritance of idiopathic epilepsy in English springer spaniels J.Am.Vet.Med.Assoc.
2005;226:54-58.
30. Patterson EE, Mickelson JR, Da Y et al. Clinical characteristics and inheritance
of idiopathic epilepsy in Vizslas J.Vet.Intern.Med. 2003;17:319-325.
31. Podell M Epilepsy and seizure classification: a lesson from Leonardo J.Vet.Intern.Med.
1999;13:3-4.
32. Srenk P, Jaggy A, Gaillard C et al. [Genetic basis of idiopathic epilepsy
in the golden retriever] Tierarztl.Prax. 1994;22:574-578.
© P.J.J. Mandigers – VSC De Wagerenk – Wageningen - Utrecht
Op deze tekst berust een copyright. Deze tekst mag geheel of gedeeltelijk overgenomen
worden mits volledige bronvermedelding plaats vindt.